Akkerzenegroen

Ajuga chamaepitys


© Joop Verburg

Ecologie & verspreiding
Akkerzenegroen staat op open, zonnige, matig droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke, verstoorde, vaak stenige bodems. Het is een warmteminnaar die groeit in akkers, in schrale droge graslanden, in wijngaarden, langs bosranden, in bermen en daarnaast zeldzaam op muren. Deze pionier bereikt in Europa zijn noordwestgrens in Engeland en Nederland. Akkerzenegroen was vroeger zeer zeldzaam in Zuid-Limburg en langs de IJssel en werd in 1980 voor het laatst aangetroffen op Flakkee. De achteruitgang in een groot deel van haar areaal is vooral te wijten aan het verloren gaan van kalkgraslanden en eutrofiëring door intensievere landbouw. De gele bloemen, de vaak roodachtig aangelopen stengels, de gedeelde bladeren (die bij kneuzing een typische harsgeur verspreiden) en haar harigheid zijn karakteristiek. De rijkelijk geproduceerde, zwarte zaden worden niet ver verspreid en kunnen een zaadbank vormen waarvan de zaden tot 50 jaar kiemkrachtig blijven. De soort werd vroeger ook medicinaal gebruikt, met name tegen jicht.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - herfst

Hoogte - 0,05-0,20 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - Een vierkantige, dicht behaarde, meestal purperrode stengel, zonder uitlopers. De plant heeft een aromatische geur (zwak naar dennenhars ruikend).

Bladeren - De driedelige, grijsgroene, dicht behaarde bladen staan dicht op elkaar. Ze zijn 1-3 cm lang en in drie lijnvormige slippen gedeeld (gevingerd). De onderste en bovenste bladen zijn lijnvormig en niet gedeeld.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De meestal alleenstaande (zelden met twee bijeen) in de bladoksels staande bloemen zijn kort gesteeld. Ze zijn geel met rode, bruinige of paarse vlekjes en worden 7-15 mm lang. De kroonbuis heeft van binnen een ring van haren. De zeer korte bovenlip is tweelobbig en de onderlip is driedelig. De vier meeldraden steken uit de kroonbuis.

Vruchten - Een splitvrucht. De vierdelige vrucht is bovenaan afgerond. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, warme, open plaatsen op matig droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke grond (stenige plaatsen, klei, zavel en mergel).

Groeiplaats - Akkers, wijngaarden, tuinen (moestuinen), stenige plaatsen en braakliggende grond.
Familie: Lamiaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst (2012): Verdwenen uit Nederland
Zeldzaamheid: verdwenen
Ecologische groep: kalkrijke akkers
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website