Look-zonder-look

Alliaria petiolata


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Look-zonder-look staat op licht beschaduwde, voedsel- en stikstofrijke, vochtige, vaak kalkhoudende, losse bodems, die bestaan uit zand, leem of zavel. Ze groeit graag in voedselrijke zomen langs heggen en bosranden, langs struwelen en houtwallen, in loof- en parkbossen en langs de daarin gelegen paden en beken. Verder in beschaduwde bermen en op ruderale plaatsen. Nederland valt geheel binnen het Europese verspreidingsgebied van de soort. De plant is hier zeer algemeen maar komt minder voor in het noordoosten. De uiengeur die vrij komt bij het kneuzen van de plant is te danken aan de zwavelverbindingen die ook aanwezig zijn bij de soorten van het geslacht Allium. De stengels dragen onderaan vertakte haren, de gevormde doosvruchten hebben geen snavel en de vruchtkleppen zijn drienervig. Look-zonder-look werd vroeger gebruikt als toekruid bij de bereiding van mosterd, sausen en pekelvlees en ze werd destijds medisch aangewend als zweetmiddel en als algemeen tegengif.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - april - juni

Hoogte - 0,15-0,90 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De rechtopstaande stengels zijn meestal niet vertakt. Onderaan zijn ze weinig behaard en bovenaan kaal.

Bladeren - Eerst wordt er een rozet van lang gesteelde bladeren gevormd. Deze bladeren zijn niervormig met een afgeronde top. Bij wrijven ruiken ze naar uien. De stengelbladeren zijn hartvormig, gegolfd en grof getand of gekarteld.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De witte bloemen zijn 3 tot 6 mm (soms tot 9 mm) groot.

Vruchten - Een doosvrucht. De 2 tot 7 cm lange en ongeveer 2 mm brede hauwen zijn smal lijnvormig. Ze staan schuin rechtop aan korte afstaande stelen. De zaden zijn kortlevend (1-5 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Licht beschaduwde plaatsen op vochtige, voedselrijke, met name stikstofrijke, vaak kalkhoudende, losse, meestal zandige grond (zand, leem, zavel).

Groeiplaats - Heggen, bosranden, struwelen, hakhoutbosjes, houtwallen (voedselrijke zomen), bossen (loofbossen, parkbossen en langs boswegen), halfbeschaduwde bermen, ruderale plaatsen en waterkanten (bosbeekoevers).
Familie: Brassicaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: voedselrijke zomen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website