Bieslook

Allium schoenoprasum


© Wouter van der Ham

Ecologie & verspreiding
Bieslook staat op zonnige tot licht beschaduwde, open, kalk- en stikstofhoudende, zwak basische, sterk in vocht en temperatuur wisselende bodems van uiteenlopende aard en op stenige plaatsen. Ze groeit op rotsen en puinhellingen, in moerassen en moerasbossen, in (vochtig) grasland en was in Nederland oorspronkelijk beperkt tot dezelfde en vergelijkbare substraten zoals kribben en dijkbeschoeiingen. De plant heeft een verbrokkeld verspreidingsgebied in de koude en gematigde streken van het Noordelijk Halfrond en ons land valt geheel binnen een van de Europese delen. In Nederland was de soort oorspronkelijk vrij zeldzaam en beperkt tot het rivierengebied, maar is door cultivering als sierplant of keukenkruid overal verwilderd en ingeburgerd en wordt nu op tal van plaatsen waargenomen. De soort wordt gekenmerkt door o.a. buisvormige bladeren, tweekleppige (zelden drie-) bloeischeden en ongedeelde en niet uitpuilende meeldraden. Ze wordt al eeuwenlang als toekruid gebruikt in salades, ragouts, sauzen en dressings. Het bevordert de eetlust en spijsvertering en werkt vochtafdrijvend.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juli

Hoogte - 0,15-0,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Langwerpige bolletjes.

Stengels/takken - Dichte, grasachtige pollen vormend. De rechtopstaande, 1-2 mm brede, rolronde stengels zijn hol en zonder bladen.

Bladeren - De aromatische bladen zijn wortelstandig. Ze zijn lijnvormig, grijsgroen, glanzend, rolrond, buisvormig, hol, niet geribd en niet gootvormig.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Een bloeiwijze zonder bolletjes. De smal klokvormige, 7 tot soms 15 mm lange bloemen vormen samen een dicht, hoofdjesachtig, rijkbloemig en bolvormig scherm, dat meestal ongeveer even hoog als breed is. De bloemen zijn roze of lila met donkerder middennerven. De meeldraden zijn korter dan de bloemdekbladen en steken dus niet uit. De helmdraden zijn priemvormig en niet getand. De vliezige bloeischede bestaat uit twee, soms drie, spits eironde, vaak wat roodachtig getinte, niet afvallende kleppen, die hoogstens zo lang zijn als het scherm.

Vruchten - Een doosvrucht. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige tot licht beschaduwde, vrij open plaatsen op droge tot vochtige, matig voedselrijke, neutrale tot kalkrijke grond (zand, leem, zavel, lichte klei, mergel en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Zandige uiterwaarden, grasland (open plekken in 's winters overstroomde grond langs rivieren en beken en droog, neutraal grasland), rivierduinen, waterkanten (kribben), rivierdijken (dijkbeschoeiingen), licht beschaduwde, grazige plaatsen bij oude of afgebroken woningen, rotsachtige plaatsen en wegranden (langs asfaltwegen).
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: vrij zeldzame soort
Ecologische groep: droge, neutrale graslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website