Rozenkransje

Antennaria dioica


© Maarten Langbroek

Ecologie & verspreiding
Rozenkransje is een plant van lage, niet te dichte vegetaties met kort gras en dwergstruiken op vrij droge, humusrijke, vrij voedselarme en onbemeste, meestal zwak zure en kalkarme maar soms matig kalkhoudende zand- en leemgrond. Het is een kensoort van het Verbond van de heischrale graslanden, een verzameling van plantengemeenschappen die op heischrale graslanden op voedselarme tot matig voedselrijke, matig zure tot neutrale, droge tot vochtige gronden voorkomen. In Nederland komen nog twee populaties van Rozenkransje voor die zichzelf kunnen voortplanten: bij Bergen en op Schiermonnikoog. De overige vier resterende populaties bestaan alleen uit mannetjes of vrouwtjes, zodat deze gedoemd zijn te verdwijnen. Er zijn in Nederland veel groeiplaatsen van Rozenkransje verdwenen als gevolg van bijvoorbeeld ontginning en bemesting.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,05-0,15 m.

Geslachtsverdeling - éénslachtig, tweehuizig

Wortels - Worteldiepte tot 20 cm.

Stengels/takken - De plant heeft bovengrondse, dunne, vertakte uitlopers. De rechtopstaande bloeistengels zijn niet vertakt. De stengels zijn grijsviltig behaard. Rozenkransje vormt zoden.

Bladeren - De rozetbladeren zijn smal spatelvormig en in een steelachtige voet versmald. De stengelbladeren zijn lijnvormig tot langwerpig. Ze zijn niet gesteeld, hebben 1 nerf en zijn van boven groen en van onderen grijsviltig behaard.

Bloemen - Eenslachtig (een bloem met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). Tweehuizig (mannelijke en vrouwelijke bloemen op verschillende planten). De bloemhoofdjes staan aan het eind van de steel met 2 tot 12 bij elkaar. De hoofdjes zijn 0,5 tot 1,2 cm groot. De omwindselbladen in het bovenste deel zijn lintbloemachtig. Die van de mannelijke hoofdjes zijn vaak wit en die van de vrouwelijke vaak roze. De bloemhoofdjesbodem heeft geen stroschubben. Rozenkransje is tweehuizig.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. Het vruchtpluis bestaat uit haren. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige of zelden licht beschaduwde plaatsen op droge, matig voedselarme, niet bemeste, zwak zure, vaak licht betreden of begraasde grond (zand, lemig zand en leem).

Groeiplaats - Zeeduinen (grazige plaatsen), heide (grazige plaatsen), grasland (laagblijvend grasland), ijl kruipwilgstruwelen en vrij open plekken met veel korstmossen.
Familie: Asteraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Ernstig bedreigd
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: droge heiden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website