Fluitenkruid

Anthriscus sylvestris


© Grada Menting

Ecologie & verspreiding
Fluitenkruid staat op zonnige tot licht beschaduwde, vochtige en stikstofrijke, voedselrijke zand-, leem, zavel en kleigrond, met een voorkeur voor kleibodems. Ze groeit in bermen en op dijken, in loof- en parkbossen, in grienden en heggen, in bosranden en lanen, in ruige graslanden en hooiweiden. Verder in ruige rietlanden en plantsoenen, op rivieroevers en in de duinen, op braakliggende terreinen en langs spoorwegen. Het areaal omspant bijna heel Europa, delen van Azië en Afrika en Nederland valt geheel binnen het Europese deel daarvan. De soort in zeer algemeen door heel ons land. Fluitenkruid kan slecht tegen begrazing en heeft pas in de 20e eeuw door de toegenomen bemesting een sterke uitbreiding te zien geven in de zandstreken, vooral in bermen en op dijken. Het is vaak moeilijk de soort direct te onderscheiden van Gouden ribzaad in gemengde populaties en het is dan zaak de eigenschappen van beide soorten met elkaar te vergelijken.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,60-1,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een penwortel. Worteldiepte 20 cm tot 1 meter.

Stengels/takken - De stengels zijn bovenaan vrijwel kaal. Onderaan groeien op de ribben korte, teruggerichte haren.

Bladeren - De dofgroene bladeren zijn twee-  tot drievoudig geveerd. De deelblaadjes zijn langwerpig toegespitst. De bladscheden zijn dicht behaard op de ribben en aan de randen wollig gewimperd.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De witte, 3-4 mm grote bloemen vormen samen schermen met vier  tot vijftien  stralen zonder omwindsel. Er zijn vier  tot acht  omwindselblaadjes van 2-5 mm lengte. Ze zijn breed langwerpig, plotseling lang toegespitst en aan de rand gewimperd. De randbloemen zijn enigszins stralend. De kroonbladen zijn afgerond of afgeknot. De bloemsteel heeft onder de vrucht een krans van korte stekelharen.

Vruchten - Een splitvrucht. De zwarte of bruine, sigaarvormige vruchten zijn 0,7-1 cm lang, glad en met een korte snavel. Aan de voet zijn ze borstelig behaard. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke grond (zand, leem, zavel en klei).

Groeiplaats - Bermen, dijken, grasland (ruig grasland), heggen, bosranden (voedselrijke zomen), bossen (loofbossen, parkbossen en grienden), lanen, waterkanten (o.a. langs rivieren), braakliggende grond, plantsoenen, zeeduinen, langs spoorwegen en moerassen (ruig rietland).
Familie: Apiaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: voedselrijke zomen
© 2024  FLORON
Ga naar de volledige website