Wondklaver

Anthyllis vulneraria


© Koen van Zoest

Ecologie & verspreiding
Wondklaver is kensoort voor de Associatie van Wondklaver en Nachtsilene, een soortenrijke plantengemeenschap van kalkrijke duingraslanden. Wondklaver groeit op zonnige, open plaatsen op droge, voedselarme, kalkrijke bodem. In de duinen groeit de soort onder meer in het zeedorpenlandschap. In Zuid-Limburg staat de plant op krijthellingen onder meer in ruige pionierbegroeiingen en een lage, open grasmat. Daarnaast staat zij in het stedelijk gebied op braakliggende grond en langs spoorwegen. In Nederland is Wondklaver vrij zeldzaam. Wondklaver is in de Hollandse duinen achteruitgegaan door vergrassing, maar toegenomen in het stedelijk gebied en langs spoorwegen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,15-0,60 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een penwortel. Worteldiepte 20 cm tot 1 meter.

Stengels/takken - De stengels zijn dicht zijdeachtig behaard. De bloeistengels liggen op de grond of zijn opstijgend. Vaak liggen ze in een kring uitgespreid.

Bladeren - De rozetbladeren zijn oneven geveerd met 5-7 blaadjes. Ze hebben een groot, langwerpig topblaadje. De steunblaadjes zijn met de bladsteel tot een bladschede vergroeid. De stengelbladeren zijn diep veervormig gedeeld (9 tot 15-tallig).

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen vormen hoofdjesachtige bloeiwijzen met een handvormig gedeeld schutblad. Vaak staan 2 hoofdjes opeengedrongen. De bloemen zijn goudgeel en soms rood aangelopen. Ze zijn 1,2 tot 1½ cm groot en worden voor meer dan de helft door de opgeblazen, pluizige, witachtige kelk omgeven. De kelktanden hebben vaak een rode top. Alle 10 meeldraden zijn tot een buis vergroeid.

Vruchten - Een doosvrucht. Meestal bevatten de vruchten maar 1 zaadje. De zaden zijn zeer kortlevend (< 1 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen op droge tot matig vochtige, voedselarme, kalkrijke, grazige grond (zand, mergel en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Grasland (kalkgrasland en kalkhellingen), bermen, dijken (dijkgrasland), afgravingen (steengroeven), zeeduinen (strandvlakten, duinbermen, duingrasland en lage, beweide duintjes), omgewerkte grond, langs spoorwegen (spoorbermen en spoorwegterreinen), klippen, richels, en mijnsteenbergen.
Familie: Fabaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: vrij zeldzame soort
Ecologische groep: kalkgraslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website