Korensla

Arnoseris minima


© marcel bolten

Ecologie & verspreiding
Korensla prefereert open, zonnige, droge, stikstofarme, matig voedselrijke, kalkarme, zure zandgrond, nooit op veen of klei. Ze groeit op heiden, op zandstrandjes langs rivieren, in akkers (m.n. wintergraan) en moestuinen, in bermen en op braakliggende terreinen. In Nederland is ze beperkt tot akkers, maar soms treedt ze onbestendig op in bermen en op bouwterreinen. Nederland ligt geheel binnen het noordwestelijke deel van het verbrokkelde Europese areaal op het vasteland. De plant is zeer zeldzaam in het oosten en midden van het land. De voor oudere bouwlanden karakteristieke soort is al voor het in gebruik nemen van herbiciden achteruit gegaan, de teruggang wordt dan ook toegeschreven aan vruchtwisseling en overbemesting. De gesteelde hoofdjes zijn opgeblazen en hol en het onderste deel van de stengels is tijdens of na de bloei koperrood aangelopen. Na insectenbestuiving worden de pappusloze zaden uitgestrooid of blijven in de hoofdjes achter om er samen mee af te vallen. De wind zorgt voor de verspreiding.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - september

Hoogte - 0,06-0,30 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een penwortel.

Stengels/takken - Vaak zijn er talrijke bladloze, niet vertakte of in de bovenste helft vertakte stengels. Ze zijn naar boven toe sterk opgeblazen (knotsvormig) en hebben de grootste breedte vlak onder het bloemhoofdje. Tijdens of na de bloei verkleurt het onderste stuk van de stengels koperrood. Ze bevatten maar weinig melksap.

Bladeren - De rozetbladeren zijn langwerpig-omgekeerd-eirond met de grootste breedte boven het midden. Ze zijn grof getand en de onderkant is vaak behaar en ze hebben een korte steel.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen staan afzonderlijk op niet bebladerde en bovenaan sterk opgeblazen stelen. De gele bloemhoofdjes zijn 0,7-1 cm. Er zijn alleen lintbloemen aanwezig. De bloemhoofdjesbodem is vlak en zonder stroschubben. Het omwindsel is urnvormig en bestaat uit één  rij even lange blaadjes en enkele priemvormige buitenomwindselblaadjes.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn afgeplat en omgekeerd-eivormig. Ze hebben 10 ribben en daartussen rijen mazen. Ze dragen geen vruchtpluis. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen op droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkarme zandgrond.

Groeiplaats - Akkers (graanakkers), moestuinen, bermen (open plaatsen), braakliggende grond, rozenperken, heide en waterkanten (zandstrandjes langs riviertjes).
Familie: Asteraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: kalkarme akkers
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website