Pinksterbloem

Cardamine pratensis


© John Breugelmans

Ecologie & verspreiding
Pinksterbloem is oorspronkelijk een plant van open, vochtig loofbos en moeras. In het agrarische landschap is deze soort kenmerkend voor hooi- en weidelanden geworden. Zij groeit vooral in vochtige tot natte, niet of nauwelijks bemeste graslanden van beekdalen en laagveengebieden. Het is een kensoort voor de vegetatie klasse van matig voedselrijke graslanden. Binnen deze klasse komt Pinksterbloem het meest voor in vegetatietypen van vochtig milieu, zoals het verbond van Grote vossestaart; het minst in droge subtypen van het Glanshaver-verbond. In Nederland is het in de meeste gebieden een algemene soort; zij wordt minder vaak op (zee)klei en hoge zandgronden aangetroffen. Pinksterbloem is  sterk afgenomen op intensief gebruikte agrarische grasland percelen, die zij eertijds (vòòr intensivering) lila kleurde tijdens de bloei. Pinksterbloem is een variabele plant die soms wordt opgesplitst in sub soorten. Geheel witte pinksterbloemen kunnen op het eerste oog worden verward met de veel zeldzamere Bittere veldkers. De wortelblaadjes van de laatste staan niet in een rozet.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - april - juni

Hoogte - 0,15-0,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Worteldiepte tot 20 cm.

Stengels/takken - De holle, ronde of soms iets kantige stengels zijn vaak kaal en niet of alleen aan de voet vertakt.

Bladeren - De rozetbladeren zijn rondachtig-eivormig en geveerd met een groot topblaadje, stengelbladeren zijn smaller met 4 tot 7 paar gave of soms getande deelblaadjes. Ze zijn niet of kort gesteeld. Moeraspinksterbloem heeft bredere deelblaadjes.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen zijn 0,8 tot 1,8 cm. De kroonbladen zijn uitgerand en lila, lichtpaars, roze of wit van kleur. De helmknoppen zijn geel en de stijl is stomp. Moeraspinksterbloem: De bloemen zijn groter.

Vruchten - Een doosvrucht. Hauwen zijn 2 tot 5½ cm lang en 1 tot 1½ mm breed. De zaden zijn kortlevend (1-5 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes). Moeraspinksterbloem: De hauwen zijn groter.

Bodem - Zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, niet of licht bemeste, basische tot zwak zure grond (zand, leem, veen, zavel, klei en löss).

Groeiplaats - Grasland (vochtig, licht bemest grasland, hooiland, weiland en grasvelden), bermen, bossen (loofbos en elzenbroekbos), moerassen (drijftillen en verlandingsvegetatiesop laagveen), waterkanten (o.a. slootkanten, vijverkanten en langs greppels), zeeduinen (duinvalleien), heggen, plantsoenen en begraafplaatsen.
Familie: Brassicaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: vochtige, bemeste graslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website