Geelgroene zegge

Carex oederi subsp. oedocarpa


© Han Beeuwkes

Ecologie & verspreiding
Carex oederi subsp. oedocarpa heet tegenwoordig Carex demissa. Het is een vrij algemene soort op het Pleistoceen en langs de kust. Ze mijdt de kleigebieden. Het is een soort van voedselarme, vochtige graslanden, zoals onbemeste hooilanden, blauwgraslanden en plagplekken in de heide. Ze lijkt veel op de verwante Dwergzegge, maar ze is in alles een maatje groter. Voor verdere verschillen zie bij Dwergzegge. Beide soorten behoren met Gele zegge en Schubzegge tot de z.g. Carex flava-groep, een notoir lastige groep van een kwartet sterk gelijkende soorten, die onderling ook nog eens naar hartelust hybridiseren. Zo bestaat er de hybride C. demissa x C. viridula en C. x alsatica [C. demissa x C. flava], beide in ons land gevonden. Ook C. x fulva [C. demissa x C. hostiana] en C. x pauliana [C. hostiana x C. viridula] komen in Nederland voor. Herkenning van soorten en hybriden binnen deze groep vergt derhalve veel ervaring.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - juli

Hoogte - 0,10-0,30(-0,40) m.

Geslachtsverdeling - éénslachtig, éénhuizig

Wortels - Een korte wortelstok.

Stengels/takken - Vaak met vele stevige, stomp driekantige, meestal opstijgende stengels, die weinig of niet boven de bladeren uit komen. De onderste scheden zijn strokleurig tot beige en gaan vezelen. De soort groeit in dichte pollen.

Bladeren - De bladschijf is gekield, min of meer gootvormig en 2 tot 4 mm breed.

Bloemen - Eenslachtig (een bloem met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). Eenhuizig (mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant). De bloeiwijze bestaat uit een gesteelde (de steel wordt tot 2 cm) of soms bijna zittende mannelijke topaar en twee  tot vier  rechtopstaande, eivormige en dichtbloemige vrouwelijke aren. Drie  stempels per bloem. De vrouwelijke aren staan voor het grootste deel dicht opeen. Soms is er nog een vrouwelijke aar in of onder het midden van de halm. De schutbladen zijn bladachtig en komen tot voorbij de top van de bloeiwijze. Vaak staan ze haaks af of zijn ze teruggeslagen. De plant heeft een korte schede. Het rechtopstaande schutblad van een onderste aar heeft een langere schede, waar de aarsteel vaak iets uitsteekt.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De 3-4 mm grote urntjes zijn eerst groen, maar worden bij rijpheid gelig. Ze zijn driekantig-omgekeerd-eivormig en toegespitst in een rechte, iets scheef staande, maar niet omlaag wijzende tweetandige snavel. De snavel is korter dan de rest van het urntje. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige tot licht beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige tot natte, matig voedselrijke, zwak zure, kalkarme, humeuze tot venige grond (leem, zand, laagveen en soms ook op rivierklei of löss).

Groeiplaats - Grasland (moerassige plaatsen, blauwgrasland en schraal beekdalhooiland), waterkanten (langs sloten en greppels), heide (randen van paden), zeeduinen (duinvalleien en binnenduingrasland), pas gegraven greppels, kapvlakten, moerassen (veentjes in brongebieden en en in slenkjes in jong veenmosrietland). Lichte betreding en plaggen bevoordelen Geelgroene zegge.
Familie: Cyperaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: laagvenen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website