Gele zegge

Carex flava


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Gele Zegge is een zeer zeldzame soort in ons land. Ze is vooral te vinden in min of meer kalkrijke hooilanden en dito natte loofbossen, van oudsher in de zuidelijke helft van ons land. Van meer recentere data zijn vondsten langs het IJsselmeer en in het Lauwersmeergebied. Gele zegge groeit in pollen, dus zonder wortelstok, net als de andere leden van de Carex flava groep. De soort wordt dikwijls verward met Schubzegge (Carex lepidocarpa). Gele zegge evenwel een zittend mannelijk topaartje en de, meestal drie, vrouwelijke aartjes zitten dicht bijeen. De stengel is scherp driekantig. Bovendien zijn de bladeren iets breder en zijn de rijpe urntjes neerwaarts gebogen. De plant oogt in het veld inderdaad geel, vandaar de naam. Hybriden tussen de soorten van de Carex flava groep maken het er niet gemakkelijker op. Daar de soorten bovendien variabel zijn is het raadzaam om in een populatie meerdere planten te bestuderen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,30-0,40(-0,70) m.

Geslachtsverdeling - éénslachtig, éénhuizig

Wortels - Een korte wortelstok. Worteldiepte tot 20 cm.

Stengels/takken - De starre stengels zijn scherp driekantig, glad en meestal niet langer dan de langste bladen. Er zijn zelden meer dan vier  spruiten per pol. De onderste scheden zijn bleekbruin en gaan vezelen.

Bladeren - De slappe bladeren zijn lichtgroen, maar worden spoedig geelgroen. Ze zijn 4-5 mm breed en gootvormig of vlak.

Bloemen - Eenslachtig (een bloem met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). Eenhuizig (mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant). Een compacte bloeiwijze met een vrijwel zittende mannelijke topaar en dicht daaronder twee  of drie  rechtopstaande, eivormige en dichtbloemige vrouwelijke aren van 1-1½ cm en 1 cm breed met drie  stempels. De bladachtige schutbladen staan af of zijn teruggeslagen. Ze zijn veel langer dan de bloeiwijzen en hebben een korte, nauwe schede.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De 5-7 mm grote, gele urntjes zijn gekromd-spoelvormig. De snavel is ongeveer even lang als de rest van het urntje en heeft een tweetandige top. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige tot licht beschaduwde, vaak vrij open plaatsen op vochtige tot natte, matig voedselarme tot matig voedselrijke, onbemeste, kalkhoudende, humeuze grond (laagveen, leem, komklei en zavel). Vaak op plekken met basenrijke kwel.

Groeiplaats - Waterkanten (in en langs greppels), grasland (moerassige plaatsen en schraal grasland), moerassen (kalkmoerassen en veentjes), bossen (loofbossen, met name op plekken waar bomen gerooid zijn) en afgravingen (kleigroeven).
Familie: Cyperaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Kwetsbaar
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: kalkmoerassen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website