Dichte bermzegge

Carex muricata


© Erik Simons

Ecologie & verspreiding
Wat we in Nederland Carex muricata plegen te noemen is in feite C. muricata s.l. Deze verzamelsoort omvat dan C. muricata s.s. en C. pairae. Het is evenwel de vraag of eerstgenoemde in ons land van natuure voorkomt. Een check in het Herbarium in Leiden heeft opgeleverd dat alle materiaal uit Nederland onder de naam C. muricata in feite C. pairae is. De echte C. muricata (s.s.) is een meer Oost-Europese soort. Carex pairae is een soort van min of meer voedselrijke zoomgemeenschappen, bosranden, wegranden e.d. Ze komt zeldzaam voor, voornamelijk in de zuidelijke helft van ons land, met concentraties in Zuid-Limburg en rond Arnhem-Nijmegen. Ze bloeit later dan C. muricata, juni tegenover mei, is ijler in alle delen en heeft lichtbruine vrouwelijke kafjes, die iets korter zijn dan de urntjes, terwijl C. muricata donkerbruine kafjes heeft, half zo lang als de urntjes. Beide soorten groeien in dichte pollen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,20-0,60(-0,90) m.

Geslachtsverdeling - éénslachtig, éénhuizig

Wortels - Een korte, verhoutende wortelstok. Worteldiepte tot 50 cm.

Stengels/takken - De bloeistengels zijn stomp driekantig. De onderste, vezelende scheden zijn bruin. De niet-bloeiende scheuten hebben korte schijnstengels. Dichte pollen vormend.

Bladeren - De bladeren zijn 2-3 mm breed.

Bloemen - Eenslachtig (een bloem met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). Eenhuizig (mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant). De 2-4 cm lange bloeiwijze is compact en soms aan de voet iets onderbroken. Ze bevatten vier tot zes kleine, eivormige aren met kafjesachtige tot kort priemvormige schutbladen. Onderaan zitten de vrouwelijke bloemen met twee stempels en aan de top de mannelijke. De kafjes zijn licht- tot zwartbruin.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De 3-4 mm grote urntjes zijn eerst groen, later worden ze donkerbruin. Ze zijn eirond, aan de voet afgeknot tot afgerond, glanzig, zwak generfd en aan de top versmald in een korte tweetandige snavel. Het zaadje is trapeziumvormig en wordt tenslotte steenrood. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Meestal licht beschaduwde, grazige plaatsen op droge, matig voedselrijke, zwak zure tot kalkhoudende grond (zand en leem).

Groeiplaats - Bossen (lichte loofbossen op hellingen), bosranden (voedselrijke zomen), heggen, struwelen, hakhout en bermen.
Familie: Cyperaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: voedselrijke zomen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website