Rood bosvogeltje

Cephalanthera rubra


© John Breugelmans

Ecologie & verspreiding
Rood bosvogeltje staat op licht beschaduwde, of soms zonnige, matig droge tot matig vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkrijke grond (mergel, klei en stenige plekken). Ze groeit in bossen, op beschaduwde rots- of kalkhellingen, in bermen. Het gesloten areaal op vasteland van Europa sluit in het noordwesten nog net aan bij België en Nederland. Het voorkomen van dit bosvogeltje was beperkt tot Zuid-Limburg. De soort was altijd al zeer zeldzaam in Zuid-Limburg maar is daar nu verdwenen. In 1980 is de plant ook opgedoken in de Biesbosch, daar stond ze in een onbeschaduwde, kleiige berm op schelpzand van een polderdijk. Hier heeft ze zich niet kunnen handhaven. In Zuid-Limburg is de soort verdwenen door biotoopvernietiging en het staken van het traditionele hakhoutbeheer. Rood bosvogeltje is altijd te herkennen, ook in vegetatieve staat, aan de klierachtig behaarde en paars aangelopen stengels. Ook hier zijn solitaire bijen de gewone bestuivers.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - juli

Hoogte - 0,30-0,60 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De stengels zijn rood aangelopen, bovenaan behaard en hebben vele bruine scheden aan de voet.

Bladeren - De onderste bladeren zijn langwerpig. De bovenste 5 tot 8 bladeren zijn langwerpig, spits, overlangs geplooid en 6 tot 12 cm lang. De schutbladen zijn even lang of langer dan het vruchtbeginsel.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen vormen met 4 tot 12 bij elkaar een losse aar. De bloembladen zijn lichtroze of paarsroze. Ze zijn 1½ tot 2½ cm groot, klokvormig, buigen samen en bedekken meestal de lip. De bloemlip is witachtig met een paarsroze rand en 7 tot 9 smalle gele richels. De andere bloemdekbladen zijn langwerpig. Het vruchtbeginsel is behaard.

Vruchten - Een doosvrucht. De vrucht is een met spleten openspringende doosvrucht en rijpt in oktober af. De zaden bevatten geen reservestoffen en kieming kan alleen plaatsvinden als de zaden geïnfecteerd worden met een schimmel (mycorrhiza). Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Licht beschaduwde of soms zonnige plaatsen op matig droge tot matig vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkrijke grond (mergel, klei en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Bossen, beschaduwde rots- of kalkhellingen, bermen en dijken (een onbeschaduwde, kleiige berm van een polderdijk).
Familie: Orchidaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Bedreigd
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: kalkrijke bossen
© 2024  FLORON
Ga naar de volledige website