Brave hendrik

Chenopodium bonus-henricus


© Peter Meininger

Ecologie & verspreiding
Brave hendrik staat op beschutte, zonnige, warme plaatsen op vochtige, zeer voedselrijke, vooral stikstofrijke, omgewerkte grond, die vaak met organisch materiaal bemest is. Ze werd en wordt aangetroffen bij mesthopen en beerputten van boerderijen, op begraafplaatsen, in bermen, op braakliggende grond langs heggen en oude muren, op humusrijke ruigten en soms in akkers. Ze kwam verspreid voor in Nederland maar had haar bastions in de Betuwe en in Zuid-Limburg. Ze is het slachtoffer geworden van de overal sterk verbeterde hygiënische werkwijzen en is in heel Europa sterk achteruit gegaan, behalve in het hooggebergte. Sinds 1950 is ze nog slecht op een aan plaatsen gezien en ze wordt de laatste jaren alleen nog min of meer bestendig gevonden in Camerig (bij Epen) in Zuid-Limburg. Vroeger werden de bladeren als spinazie gegeten, de jonge scheuten als een soort asperges klaargemaakt.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - augustus

Hoogte - 0,15-0,60 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een dikke vlezige wortelstok.

Stengels/takken - De rechtopstaande, taaie stengels zijn vaak rood aangelopen. Aan de voet zie je resten van bladstelen uit vorige jaren.

Bladeren - De dofgroene, iets kleverige bladeren zijn driehoekig. Aan de bladvoet zitten twee naar de zijkant of naar achteren gerichte slippen. Ze zijn 5-10 cm lang en ongeveer even lang als breed. De bladrand is zwak gegolfd.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De groene bloemkluwens zitten ineengedrongen aan korte zijasjes aan de top van de stengel (een smalle vrij dichte, alleen aan de voet bebladerde pluim). De bloeiwijze is sterk vertakt. De stempels steken ver uit de bloem. De bloemdekbladen zijn bruinig en niet verdikt.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De vruchten zijn rood, bij rijpheid worden ze zwart. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, warme, beschutte plaatsen op vochtige, zeer voedselrijke, vooral stikstofrijke, vaak met organisch materiaal bemeste, omgewerkte grond.

Groeiplaats - Bij boerderijen (bij mesthopen en beerputten), begraafplaatsen, bermen, braakliggende grond, langs heggen, ruderale plaatsen, oude muren, humeuze ruigten en soms in akkers.
Familie: Amaranthaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Ernstig bedreigd
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: humeuze ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website