Esdoornganzenvoet

Chenopodium hybridum


© Grada Menting

Ecologie & verspreiding
Esdoornganzenvoet staat op open, zonnige, matig warme tot warme, vochtige, voedsel- en uitgesproken stikstofrijke, zwak basische tot kalkhoudende zand- en kleigrond en op rotsachtige plaatsen. De eenjarige plant groeit in moestuinen, akkers en op mesthopen, op ruderale plekken in de zeeduinen, in afgravingen en ruigten, op industrieterreinen en in omgewerkte bermen. Ze stamt oorspronkelijk uit Europa, waarbij Nederland geheel binnen het verspreidingsgebied valt van de soort die als cultuurvolger tegenwoordig in alle gematigde streken van het Noordelijk Halfrond thuishoort. In ons land is de soort zeldzaam in het rivierengebied en in de Hollandse duinstreek en is elders zeer zeldzaam. Deze Ganzenvoet behoort tot een groep van soorten waarvan de stengels alleen in een jong stadium iets melig behaard zijn en die later verkalen en verder is de aanwezigheid van een duidelijke middennerf aan de binnenzijde van de bloemdekbladen heel karakteristiek. Esdoornganzenvoet is direct herkenbaar aan de eirond-driehoekige bladeren met grove, hoekige tanden die wijd uit elkaar staan. De bladvoet is zwak hartvormige tot afgeknot.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juli - september

Hoogte - 0,30-0,90 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De rechtopstaande stengels zijn niet of weinig vertakt. Jonge stengels zijn iets melig behaard, oude stengels zijn kaal.

Bladeren - De eirond-driehoekige bladeren hebben een zwak hartvormige of afgeknotte voet. Aan de rand enkele zitten grove, hoekige wijd uit elkaar staande tanden.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De groenige bloemen staan vrij ver uit elkaar in bloemkluwens. Ze vormen samen een vertakte, brede, losse en voor een groot deel niet bebladerde pluim.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn 1,7-2 mm breed. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen op vochtige, voedselrijke, met name stikstofrijke, kalkhoudende grond (zand en klei).

Groeiplaats - Moestuinen, akkers, zeeduinen (ruderale plaatsen), afgravingen, industrieterreinen, ruigten, wegranden en omgewerkte bermen.
Familie: Amaranthaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: voedselrijke ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website