Smal vlieszaad

Corispermum intermedium


© Willemien Troelstra

Ecologie & verspreiding
Smal vlieszaad staat op open en zonnige, droge en vrij voedselarme, stikstofhoudende en kalkrijke bodems, bestaande uit vrij grof of sterk waterdoorlatend zand, vaak gemengd met grind, schelpgruis of gruisachtige grond. De eenjarige plant groeit op opgespoten grond en rivierstrandjes, in spoorbermen en op spoorwegterreinen, op kale zandvlakten van industrie- en haventerreinen, op gestoorde plekken in de duinen, in kalkrijke ruigten, bermen en in zandgroeven, in akkers en op ruderale plaatsen. Het is een typisch Europese taxon dat sinds 1900 in Nederland is ingeburgerd. De soort is vrij algemeen in de Hollandse en Zeeuwse duinen, in Zeeland, het rivierengebied en plaatselijk in het Maritieme district en is elders zeer zeldzaam. Smal vlieszaad wordt purperrood in het najaar, heeft vlakke, éénnervige, smalle bladeren die een zachte stekelpunt dragen. De vruchten, die wel wat op wantsen lijken, zijn smal gevleugeld, aan de top niet uitgerand en daar van twee stekelpunten voorzien.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juli - augustus

Hoogte - 0,10-0,60 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De breed vertakte stengels zijn eerst dofgroen, later zijn ze vaak rood aangelopen.

Bladeren - De smal lijnvormige bladeren zijn vlak, niet vlezig, hebben een gave rand en aan de top een zachte stekelpunt. Ze zijn min of meer bruin-wollig behaard.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De groenige bloemen vormen samen lange aren in de bladoksels. Ze hebben 2 stijlen en geen bloemdek of met 1 tot 3 doorzichtige schubben.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. Vruchten met een vrij smalle, tot 0,4 mm brede vliezige, gave rand, die aan de top niet is ingesneden. De schutbladen zijn vlak, toegespitst en bedekken de zaden bijna helemaal. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes). De dode planten breken af aan de wortelhals en worden door de wind over het zand gerold, waarbij ze onderweg hun zaden verliezen (stepperoller).

Bodem - Zonnige, open plaatsen (pioniervegeaties) op droge, vrij voedselarme, stikstofhoudende, kalkrijke grond (vrij grof of sterk waterdoorlatend zand, vaak gemengd met grind of schelpgruis en gruisachtige grond).

Groeiplaats - Opgespoten grond, langs spoorwegen (spoorbermen en spoorwegterreinen), waterkanten (rivierstrandjes), kale zandvlakten op industrieterreinen, haventerreinen, zeeduinen (verstoorde plekken), ruigten (kalkrijke ruigten), bermen (omgewerkte plaatsen) en afgravingen (zandgroeven).
Familie: Amaranthaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: vrij zeldzame soort
Ecologische groep: kalkrijke ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website