Holwortel

Corydalis cava


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Holwortel groeit graag in vochtige, voedselrijke loofbossen met leem- of klei-achtige grond en aan beschaduwde slootkanten. In Nederland is Holwortel een schoolvoorbeeld van een stinzenplant. Zij is in Nederland zeldzaam en groeit als stinzenplant op buitenplaatsen e.d.  In het begin van de negentiende eeuw werd geconstateerd dat de plant ‘half in het wild voorkwam’: zij zaaide zich uit op en om de plekken waar ze was aangeplant. Maar spontane vestigingen op nieuwe groeiplaatsen zijn niet bekend. De grond van de parkbossen waar Holwortel voorkomt, is in het verleden verrijkt met van elders aangevoerd materiaal zoals bosgrond, mest en schelpengruis. Dit leverde een kunstmatig substraat op dat in samenstelling de natuurlijke standplaats van Holwortel benadert. Holwortel komt oorspronkelijk voor in Midden-, Oost- en Zuid-Europa. Net over de grens met Duitsland komt zij voor in het Teutoburgerwoud. In Nederland is zij aan de uiterste oostgrens mogelijk oorspronkelijk inheems.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - maart - mei

Hoogte - 0,15-0,30 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - De tot 10 cm grote, knolvormige wortelstok is hol. Er groeien een aantal stengels op één  knol (Vingerhelmbloem heeft dicht opeengroeiende stengels met elk een eigen knol).

Stengels/takken - De rechtopstaande stengels hebben aan de voet geen schede.

Bladeren - De blauwgroene bladen zijn dubbel drietallig. De schutbladen zijn eirond, schubvormig en met een gave rand.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemtrossen groeien aan de top van de stengels. De bloemen staan min of meer horizontaal op rechte stelen in de oksels van de schutbladen. Ze kunnen paarsrood of wit zijn en worden 2-3 cm. Ze hebben een lange omlaaggebogen spoor. Van de buitenste twee  kroonbladen is het bovenste kroonblad naar achteren gespoord en naar de top verbreed (de bovenlip), het onderste kroonblad is aan de top verbreed (de onderlip) en de binnenste twee  kroonbladen zijn bovenaan met elkaar vergroeid.

Vruchten - Een doosvrucht. Hangende vruchten van 2-2½ cm. De vruchtsteel is veel korter dan de vrucht. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Licht beschaduwde plaatsen op vochtige, goed doorluchte, matig voedselrijke tot voedselrijke, humeuze en kalkrijke grond (leem, klei en mergel).

Groeiplaats - Bossen (loofbossen, aan de voet van hellingen, hogere delen van beek- en rivierdalen, beschaduwde slootkanten bij buitenplaatsen en parkbossen), heggen, boomgaarden en kreupelhout.
Familie: Papaveraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: stinseplant
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website