Groot warkruid

Cuscuta europaea


© Theo Westra

Ecologie & verspreiding
Groot warkruid is tamelijk algemeen in het fluviatiele district, plaatselijk algemeen in Zuid-Limburg, het oosten van het land en in de Kempen en komt elders sporadisch voor. Deze soort is, net als de andere warkruiden een holoparasiet, die bladgroen noch wortels heeft en voor haar voedselvoorziening geheel aangewezen is op de waardplant, waaraan zij middels haustoriën water en voedsel onttrekt. Die waardplanten zijn te vinden in voedselrijke ruigten en zomen van ooibossen langs het rivierengebied, vooral Grote brandnetel, maar ook een aantal andere ruigtekruiden komen als gastheer in aanmerking. Een goed kenmerk ten opzichte van de andere soorten warkruiden in Nederland is de bloemkroon, die bij Groot warkruid vaak viertallig is, terwijl de andere Nederlandse soorten vijf kroonslippen hebben. Opvallend in het veld zijn verder de relatief dunne (maar niet draadvormig, zoals bij Klein warkruid), vaak rood aangelopen stengels, de rijkbloemige, compacte bloeiwijzen, de draadvormig stempels en de doosvruchten die 2-3 mm. meten. Groot warkruid werd vroeger medisch gebruikt bij o.a. leverkwalen en opstoppingen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - september

Hoogte - 0,30-1,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De om andere planten windende stengels zijn roodachtig groengeel, meestal vrij dun en vaak sterk vertakt.

Bladeren -

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De 2 mm grote, lichtroze of vuilwitte, later vleeskleurige en vier- of vijftallige bloemen groeien in dichtbloemige, ronde kluwens. Eerst zijn ze klokvormig, later worden ze urnvormig. De kroonslippen buigen eerst samen en zijn dan afgerond-driehoekig, later zijn ze vaak teruggeslagen. De kroonschubben staan rechtop en zijn vaak diep gespleten in twee  'hoorntjes', die elk in enkele wimpers uitlopen. Soms komen de kroonschubben nauwelijks tot ontwikkeling. De twee  stijlen en de draadvormige stempels zijn korter dan het vruchtbeginsel. De bloemsteeltjes zijn zeer kort.

Vruchten - Een doosvrucht. Meestal zijn de 2½-3 mm grote vruchten omgekeerd-peervormig. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot half beschaduwde plaatsen op vochtige tot natte, meestal zeer voedselrijke grond. Vooral op plekken waar 's winters plantaardig afval en/of aanspoelsel terecht komt (zand en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Struwelen, bosranden, bossen (lichte oeverwalbossen), waterkanten (ruigten langs rivieroevers, met name op vloedmerk op de hogere oevers, die 's zomers uitdrogen), afgravingen en ruigten (natte ruigten en ruigten in grindgaten langs de Maas). De plant woekert het meest op Hop en Brandnetel, ook op andere planten zoals b.v. Boerenwormkruid, Haagwinde, Bijvoet, Hondsdraf en Walstro.
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: vrij zeldzame soort
Ecologische groep: natte ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website