Bruin cypergras

Cyperus fuscus


© Pieter Stolwijk

Ecologie & verspreiding
Bruin cypergras staat op open, zonnige, soms licht beschaduwde, warme, vochtige tot natte, matig voedselrijke, kalkarme tot kalkrijke, matig stikstofrijke, meestal humushoudende zand-, leem- en kleigrond, soms op veen. Ze groeit graag op plaatsen die ’s winters onder water staan en ’s zomers uitdrogen. Het betreft dan o.a. oevers van rivieren en andere waterstromen, afgetrapte oevers van sloten en wielen, greppels, afgravingen, bron- en kwelgebieden en gespoten terreinen. Het Europese areaal reikt noordelijk tot in Zuid-Engeland en in het zuidelijke Oostzeegebied. De soort is zeldzaam in het rivierengebied en zeer zeldzaam in Zuid- en Midden-Limburg, in het oosten van het land en in enkele laagveengebieden. Het is een kensoort van het Nanocyperion-verbond, die in warme zomers en bij een lage rivierstand hier met grote aantallen aanwezig kan zijn. De plant is goed te onderscheiden door de opvallende donkerbruine aartjes en verder aan de vliezige, roodachtige wortels die eveneens kenmerkend zijn.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juli - oktober

Hoogte - 0,03-0,20(-0,35) m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - De wortels hebben een rode tint.

Stengels/takken - De liggende tot min of meer rechtopstaande stengels zijn stomp driekantig. De soort groeit in dichte pollen.

Bladeren - De vlakke bladen zijn grasachtig en minder dan 0,5 cm breed.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Elke bloem heeft twee meeldraden en een stamper met drie stijlen. De onderste schutbladen steken ver buiten de bloeiwijze. De kafjes zijn zwart tot roodbruin. Ze hebben een groene kiel of zijn zelden helemaal groen.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn scherp driekantig, met de breedste kant naar de aarspil. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige, soms licht beschaduwde, warme, open plaatsen (pionier) op vochtige tot natte, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkrijke, meestal humushoudende grond (zand, leem, klei, soms op veen). Plekken die 's winters onder water staan en 's zomers droogvallen.

Groeiplaats - Bron- en kwelgebieden, waterkanten (langs visvijvers, droogvallende oevers van rivieren en rivierarmen, door vee vertrapte oevers van poldersloten en wielen), opgespoten grond, afgravingen (klei-, zand- en grindgroeven), bossen (loofbossen, langs loofbosgreppeltjes en moerasbossen) en droge greppels.
Familie: Cyperaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: pionier op matig voedselarme, vochtige grond
© 2024  FLORON
Ga naar de volledige website