Slangenkruid

Echium vulgare


© Hans Adema

Ecologie & verspreiding
Slangenkruid staat op open, zonnige en warme, droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, zwak basische tot kalkrijke, stikstofarme tot matig stikstofrijke, vaak omgewerkte, humusarme bodems zoals zand, zavel, mergel en stenige plaatsen. Ze groeit op allerlei ruderale plekken in de zeeduinen, in kalkrijke ruigten, op spoor-, haven- en industrieterreinen, op opgespoten grond, op taluds van infiltratiekanalen en parkeerplaatsen. Verder op grindbanken en basaltglooiingen, op open plekken van kalkhellingen en in afgravingen, in bermen en op dijken. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het verspreidingsgebied. De pionierende soort is algemeen in de Hollandse en Zeeuwse duinen en plaatselijk in stedelijke gebieden en vrij zeldzaam in Zuid-Limburg en in het rivierengebied. Elders zeldzaam, maar zeer zeldzaam in het noordoosten. De zwak giftige plant wordt bestoven door bijen, vlinders en zweefvliegen, de zaden worden uitgestrooid of door de wind of als klit verspreid. Vroeger werd gedacht dat de plant tegen slangenbeten zou helpen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - september

Hoogte - 0,30-1,00 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Worteldiepte tot meer dan 1 meter.

Stengels/takken - De rechtopstaande stengels zijn stekelig behaard met verspreide lange en op witte of bruine knobbels staande haren.

Bladeren - De rozetbladeren worden tot meer dan 20 cm lang en zijn aan de voet in een steel versmald. Ze zijn langwerpig, hebben borstelharen en onduidelijke zijnerven. De bovenste bladeren zijn smaller en niet gesteeld.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloeiwijze is pluimvormig. De bloemen zijn lichtblauw tot helderblauw en in knop zijn ze roze. Ze zijn 1 tot 2 cm lang, dubbel zo lang als de kelk en met een scheve mond. De meeldraden steken ver uit de bloem.

Vruchten - Een splitvrucht. De vruchten zijn verborgen door de kelkslippen. De nootjes zijn bleek grijsbruin, ruw en dof. De zaden zijn zeer kortlevend (< 1 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetaties) op droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkrijke en vaak omgewerkte, humusarme grond (zand, zavel, mergel en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Ruigten (kalkrijke ruigten), bermen, afgravingen (steengroeven en hellingen van zandgroeven), zeeduinen, langs spoorwegen (spoorbermen en spoorwegterreinen), enigszins ruderale plaatsen, haventerreinen, industrieterreinen, grasland (open plekken op kalkhellingen), opgespoten grond, waterkanten (grindbanken langs de Maas en basaltglooiingen), rivierdijken, taluds van infiltratiekanalen en parkeerplaatsen.
Familie: Boraginaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: kalkrijke ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website