Slanke waterbies

Eleocharis uniglumis


© Niels Jeurink

Ecologie & verspreiding
Slanke waterbies staat op open en zonnige, zwak basische en matig stikstofrijke, verstoorde, natte, zoete tot brakke, matig voedselrijke, zwak zure tot kalkhoudende, al of niet humeuze grond. Verder ook in ondiep, matig voedselrijk, zoet tot brak water. De bodems kunnen bestaan uit zand, leem, zavel, klei en laagveen. Ze groeit in duinvalleien en duingraslanden, aan randen van schorren en in zilte graslanden, aan de over van allerlei wateren en in afgravingen. Verder in rietlanden en polderboezems, op dijken en in moerasbossen. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het areaal. De soort is vrij algemeen op de Waddeneilanden en in noordelijk Noord-Holland, vrij zeldzaam in het westen en noorden, in Zeeland en in de Hollandse duinen en elders zeer zeldzaam. Ze is goed te onderscheiden van haar meestal iets forsere evenknie, Gewone waterbies. Bij deze omvat het onderste kafje een kwart tot de helft van de stengel, bij Slanke waterbies is dat ± geheel.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - augustus

Hoogte - 0,10-0,40(-0,60) m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een kruipende wortelstok met uitlopers.

Stengels/takken - De rechtopstaande stengels zijn rolrond, een ½ tot 1½ mm dik en dragen geen bladeren. De scheden zijn rood. Slanke waterbies vormt losse zoden.

Bladeren - De bladscheden zijn bruin of vaak glanzend paarsrood. De bovenste is ongeveer recht afgesneden.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De aartjes vind je aan het eind van de stengels. Ze zijn 0,5 tot 2 cm lang en bevatten 5 tot 70 bloemen. Aan de voet zie je 2 bloemloze kelkkafjes, die elk het aartje half omvatten. Het onderste, onvruchtbare kafje omsluit de voet van de aar (vrijwel) helemaal en is meestal bruin van kleur. De bloemen bevatten 2 stempels, maar soms zijn het er 3.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaadjes zijn meestal 2-zijdig afgeplat en 1 tot 1,8 mm lang. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige, vaak iets open en verstoorde plaatsen op natte, zoete tot brakke, matig voedselrijke, zwak zure tot kalkhoudende, al of niet humeuze grond en in ondiep, matig voedselrijk, zoet tot brak water (zand, leem, zavel, klei en laagveen, niet op hoogveen).

Groeiplaats - Zeeduinen (duinvalleien en duingrasland), grasland (zilt weiland), randen van schorren (kwelders), waterkanten en water (greppels, sloten, poelen, kreken, kolken, vijvers en beweide oevers van oude rivierarmen), afgravingen (zandgroeven, leemgroeven en kleigroeven), moerassen (rietland), polderboezems en dijken.
Familie: Cyperaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: storingsmilieus
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website