Beuk

Fagus sylvatica


© wim van der neut

Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - mei

Hoogte - 24,00-30,00 m.

Geslachtsverdeling - éénslachtig, éénhuizig

Wortels - Een oppervlakkig, dicht hartwortelstelsel.

Stengels/takken - De twijgen zijn glanzend lichtbruin met smalle, spitse, schuin afstaande, roodbruine knoppen, die tot twee cm lang worden.

Bladeren - De bladeren van één tak staan afwisselend in twee rijen en bevinden zich in hetzelfde vlak, zodat ze elkaar niet beschaduwen. Een beuk heeft licht- en schaduwbladeren. De eerste zijn wat dikker en met een opperhuid die de verdamping beperkt. De tot tien cm lange bladeren zijn eirond tot elliptisch met een spitse top, ondiep gezaagd, met een dicht gewimperde, zeer ondiep gegolfde rand en een korte steel. Ze verschijnen in de lente, tegelijk met de katjes. Eerst zijn ze doorschijnend lichtgroen, rimpelig en zijdeachtig behaard, later worden ze glanzend donkergroen en in de herfst goudbruin. De zijnerven lopen door tot de bladrand. De steunblaadjes vallen vroeg af. Kiemplanten hebben twee donkergroene, niervormige kiembladen en vormen samen een schoteltje.

Bloemen - Eenslachtig (een bloem met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). Eenhuizig (mannelijke en vrouwelijke bloemen op dezelfde plant). Beuken beginnen vaak pas na veertig tot zestig jaar volop te bloeien. De bloei vindt vaak maar eens per vijf tot acht jaar plaats. De groenachtige bloemen verschijnen tegelijk met de bladeren. Mannelijke bloemen in bolvormige tot eivormige, dichte katjes, hangend aan lange, zijdeachtig behaarde stelen. Elke bloem heeft een roodbruin, klokvormig bloemdek en vier of meer meeldraden. Vrouwelijke bloemen met twee (soms meer) bijeen. Ze worden omhuld door een vierspletig napje en staan op een dik, rechtopstaand steeltje. De vrouwelijke bloeiwijzen staan dichter bij het eind van de takken dan de mannelijke katjes en zijn veel schaarser. Alleen kruisbestuiving leidt tot zaadzetting.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of noot. Het napje van de vrouwelijke bloeiwijze groeit uit tot de stekelige, houtig wordende, bruine bolster, waarbinnen meestal twee (soms drie) beukenootjes rijpen. Deze bestaan uit een driezijdige vruchtwand met vleugelranden, waarbinnen zich het olierijke zaad bevindt. Als de vrucht rijp is, springt het napje, met vier kleppen, bij zonnig weer open, maar vaak ook valt het geheel af en opent het zich op de grond. De zaden kiemen in het volgende voorjaar. De zaden zijn zeer kort levend (korter dan één jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Beschaduwde plaatsen op droge tot matig vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke, zwak zure tot kalkrijke grond. Ook aangeplant op voedselarmere grond (o.a. op löss, zandige leem, zandige klei en grindrijk leem).

Groeiplaats - Bossen (loofbossen en parkbossen) en zeeduinen (duinbossen).
Familie: Fagaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: droge, voedselrijke bossen
© 2024  FLORON
Ga naar de volledige website