Gewone duivenkervel

Fumaria officinalis


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Gewone duivenkervel staat op open, zonnige, matig droge tot matige vochtige, ± voedselrijk, omgewerkte en stikstofrijke, goed doorlatende, basenrijke, zwak zure tot meestal kalkrijke grond die kan bestaan uit zand, zavel, leem en lichte klei. Ze groeit in akkers en moestuinen, in ruigten en wijngaarden, op open plekken en in omgeploegde bermen, op braakliggende grond en stortplaatsen, in plantsoenen, bouwterreinen en ruderale plaatsen. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het verspreidingsgebied. De soort is vrij algemeen in ons land maar zeldzaam in het Drents district, Flevoland en delen van Gelderland en Zeeland. Het taxon valt te onderscheiden van de overige Fumaria-soorten door o.a. lijn-lancetvormige bladslippen, kleine, 6-9 mm lange bloemen, afstaande vruchtstelen met vruchten die bij rijpheid rimpelig, iets ruw en aan top iets ingedeukt zijn. Ze zijn bovendien breder dan lang en de grootste breedte ligt boven het midden. Verder draagt de bloeiwijze als regel meer dan 20 bloemen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - herfst

Hoogte - 0,10-0,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De klimmende stengels zijn kaal en zonder ranken.

Bladeren - De blauwgroene bladeren zijn dubbel geveerd. De bladslippen zijn vlak, lijnvormig tot langwerpig en 2 tot 3 mm breed.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemtrossen bevatten twintig  tot veertig  bloemen. De bloemen, met spoor, zijn langer dan de bloemsteel. Ze worden 7-9 mm lang en zijn lichtroze tot rozerood met een donkere top. De kelkbladen bedekken niet de hele breedte van de kroon en zijn 2-3 mm lang.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De iets rimpelige en ruwe vruchten zijn ongeveer 2 mm lang en 2½-3 mm breed. Ze groeien aan rechte, schuin omhoog staande stelen, die langer zijn dan de schutbladen. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen op matige droge tot matig vochtige, omgewerkte, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, goed doorlatende, zwak zure tot meestal kalkrijke grond (zand, leem, zavel en lichte klei).

Groeiplaats - Moestuinen, akkers, wijngaarden, bermen (open plekken en omgeploegde bermen), braakliggende grond, ruigten, ruderale plaatsen, plantsoenen en bouwterreinen.
Familie: Papaveraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: voedselrijke akkers
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website