Akkergeelster

Gagea villosa


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Akkergeelster is te vinden op vrij open, meestal licht beschaduwde, ± droge, matig stikstofrijke en voedselarme, zwak zure tot zwak basische, kalk- en humushoudende, losse, vaak iets omgewerkte bodems bestaande uit zand, zavel, leem, krijt of löss, verder ook op stenige plaatsen. Ze groeit in landgoedbossen en parken, bij vestingwerken en kastelen, in oude pastorietuinen en op begraafplaatsen, op open plekken langs holle wegen en in beschaduwde bermen. Verder langs (vaak grindige) paden, onder heggen en struwelen, in wijngaarden, akkerranden en braakliggende grond en werd vroeger ook in akkers gevonden. Nederland ligt aan de noordwest grens van het Europese deel van het areaal. Akkergeelster is zeldzaam in het rivierengebied, met name langs de Gelderse IJssel en zeer zeldzaam in Zuid-Limburg en het midden van het land. De door zijn wollige beharing onmiskenbare plant wordt door insecten bestoven of bestuift zichzelf, de zaden worden uitgestrooid of door de wind verspreid.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - maart - april

Hoogte - 0,10-0,25 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een vrijwel ronde bol. Binnen de omhulling van de bolvliezen bevindt zich behalve de hoofdbol(rok) nog een nevenbol(rok) en soms ook broedbolletjes.

Stengels/takken - De bloemstelen zijn wollig behaard.

Bladeren - Bladen van zeer jonge planten zijn rolrond. De dofgroene, grondstandige bladen van oudere planten zijn minder dan een halve centimeter breed, smal lijnvormig, gootvormig, al of niet behaard, aan de voet rood getint, zonder uitspringende nerven. Bloeiende planten hebben aan de voet twee van zulke bladen, die vrijwel loodrecht uit de grond komen en doorgaans boven de bloeiwijze uitsteken. De bloeistengel draagt vlak onder het bloemscherm twee bladen, die wat breder zijn dan de grondstandige bladen (lancetvormig) en gewimperd aan de rand.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Het scherm bevat vijf of meer bloemen (tot wel vijftien bloemen per plant), die in een eindelings en een kleiner zijdelings scherm, die elk in de oksel van een stengelblad staan. De bloemstelen en andere delen van de bloeiwijze zijn wollig behaard. De twee schutbladen zijn relatief groot, bladachtig en niet stengelomvattend. De bloemdekbladen maken een smallere indruk dan die van andere Geelstersoorten. Ze zijn tijdens de bloei enigszins teruggekromd. Na de bloei vouwen ze zich schuitvormig en krijgen een grijzige tint. De groengele bloemen zijn 1,5-2 cm groot. Soms zijn er meer dan zes bloemdekbladen.

Vruchten - Een doosvrucht. Vruchtzetting treedt maar zelden op in onze omgeving. Soms zitten in de oksels van stengelbladeren en/of in het scherm broedbolletjes, waaruit later weer nieuwe planten kunnen groeien. Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Licht beschaduwde, soms zonnige, vrij open plaatsen op matig droge, matig voedselarme, kalkhoudende, soms zwak zure, vaak iets omgewerkte, humushoudende, sporadisch enigszins verstoorde grond (leem, zand, zavel, löss en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Grasland (beschaduwd hooiland, weiland en overhoeken van hellend cultuurgrasland), beschaduwde bermen en langs paden (vaak tussen grind), open plekken langs holle wegen, struwelen, heggen, begraafplaatsen, parken, braakliggende grond, oude tuinen, bossen (landgoedbossen), bij vestingwerken en kastelen, oudere delen van dorpen en steden en akkers (akkerranden op zand en löss, vroeger ook in akkers).
Familie: Liliaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: voedselrijke zomen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website