Smalle raai

Galeopsis angustifolia


© Frank van Gessele

Ecologie & verspreiding
Smalle raai is een zeldzame soort die vroeger gevonden werd in kalkrijke graanakkers. Tegenwoordig komt ze nauwelijks meer voor als akker'on'kruid, maar wordt ze steeds vaker gevonden langs spoorwegen en op andere snel opwarmende, ruderale plaatsen. De soort was vroeger beperkt tot kalkrijke akkers op zand en leem, en daardoor kwam ze vrijwel uitsluitend in het pleistocene deel van Nederland voor. Aangezien ze tegenwoordig vaker langs spoorwegen gevonden wordt, is het verspreidingsbeeld diffuser en mogelijk het beste als 'urbaan' te bestempelen. Het is een warmteminnende soort die zich langs het spoor mogelijk verder weet uit te breiden in de komende jaren. Een soort om alert op te zijn bij toekomstige inventarisaties langs het spoor. De enige soort die verward kan worden met Smalle raai is haar nauwe en veel zeldzamere verwant Brede raai. Deze onderscheidt zich van Smalle raai door de bredere bladeren en de afstaande klierharen op de kelk.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - herfst

Hoogte - 0,07-0,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Worteldiepte tot 1 meter.

Stengels/takken - De stengels zijn op de knopen niet verdikt. Vaak zijn ze sterk bruinpaars aangelopen. Ze zijn bedekt met verspreide, aanliggende, zachte haren.

Bladeren - De lijnvormige tot langwerpige bladeren zijn meestal gesteeld en 2 tot 6 mm breed. Ze hebben een gave rand of ze hebben aan beide kanten 1 tot 4 ondiepe insnijdingen (karteltanden). De bovenste bladeren zijn kaal of behaard, maar niet kort fluwelig.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De schijnkransen bevatten 6 tot 10 bloemen. De bloemen zijn diep-rozerood en 1,4 tot 2,4 cm lang. De bovenlip is zwak getand en de onderlip heeft een gele of soms witte vlek. De kelk is wit en draagt aangedrukte haren, maar meestal geen klierharen.

Vruchten - Een splitvrucht. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetaties) op droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, stikstofrijke, kalkrijke, verstoorde grond (grind en andere stenige plaatsen, zand, leem en mergel).

Groeiplaats - Akkers (graanakkers op kalkhellingen en akkerranden), langs spoorwegen (ballastbedden en schouwpaden op spoorwegterreinen, meestal tussen grind), rolsteenhellingen, puinhellingen, grindafzettingen langs de Maas, afgravingen (steengroeven) en dijken.
Familie: Lamiaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Ernstig bedreigd
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: kalkrijke akkers
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website