Beemdooievaarsbek

Geranium pratense


© Edwin de Weerd

Ecologie & verspreiding
Beemdooievaarsbek staat op zonnige tot licht beschaduwde, vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke, zwak zure tot kalkhoudende, stikstofrijke, grazige zand-, leem-,zavel- en kleibodems. De bovenaan beklierde en kleverige plant groeit in ruige, vaak soortenarme hooilanden en andere graslanden in uiterwaarden, in bermen en op dijken. Verder op spoorwegterreinen, langs struwelen en heggen, in ruigten, parken en bossen. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het verspreidingsgebied, maar mijdt in het algemeen de kustgebieden en voelt zich thuis in een typisch continentaal klimaat. De polvormende plant is vrij zeldzaam in het rivierengebied en is elders zeldzaam ingeburgerd. Ze wordt ook uitgezaaid en als tuinplant aangeboden. Beemdooievaarsbek verdraagt matige bemesting en beweiding goed op minder voedselrijke plaatsen. Bij te zware bemesting verdwijnt de soort echter. De soort wordt door hommels, bijen en vlinder bestoven, de rijpe, donkerbruine zaden, die van een mazenpatroon zijn voorzien, worden uit de beklierde kluisvruchten weggeslingerd. .
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - juli

Hoogte - 0,30-0,90 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een dikke, kruipende wortelstok. Worteldiepte tot 100 cm.

Stengels/takken - Polvormend. De rechtopstaande stengels zijn kort behaard, onderaan met terugwijzende haren en bovenaan zijn ze kleverig door klierharen. De vrij dikke, herhaaldelijk gegaffelde bloemstelen zijn na de bloei eerst naar beneden gebogen, als de vrucht rijp is staan ze vaak weer rechtop.

Bladeren - De in omtrek ronde rozetbladen zijn lang gesteeld, niet gevlekt en diep handvormig gedeeld (vrijwel tot de voet) met vijf tot zeven ver uit elkaar staande, smalle, veerspletige bladslippen.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Meestal zie je de verticaal staande, 1,5-3 cm grote, schotelvormige bloemen met twee bijeen. Ze hebben lang genaalde kelkbladen en helderblauwe tot paarsblauwe (zelden witte) kroonbladen met doorschijnende aderen. De afstaande en omhoog gekromde kroonbladen zijn aan de top afgerond. De helmdraden zijn aan de voet driehoekig verbreed.

Vruchten - Een kluisvrucht. De deelvruchtjes zijn dicht beklierd, zonder ribbels. Zaden met een mazenpatroon. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, soms licht beschaduwde plaatsen opmatig vochtige tot matig natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, zwak zure tot kalkhoudende, grazige grond (zand, leem, zavel en klei).

Groeiplaats - Ruige bermen, grasland (hooiland, weiland, uiterwaarden en beekbegeleidend grasland), langs struwelen en heggen, langs spoorwegen (spoorwegterreinen en spoordijken), dijken, ruigten, parken, bossen (landgoedbossen en soms in lichte loofbossen).
Familie: Geraniaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: vrij zeldzame soort
Ecologische groep: vochtige, bemeste graslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website