Bleekgele droogbloem

Gnaphalium luteoalbum


© Peter Meininger

Ecologie & verspreiding
Bleekgele droogbloem is een pionier van vochtige tot natte, kalk- en/of voedselrijke, zandige of stenige grond. De soort is een uitgesproken liefhebber van vochtige duinvalleien. Daarnaast groeit zij ook op zandplaten en in afgravingen. Zij floreert met name op verrijkte, stenige plaatsen. In het stedelijk gebied staat de plant dikwijls in de straatgoot. In de stad kan zij tevens veelvuldig voorkomen op braakliggende grond en op haven- en industrieterreinen De soort was zeldzaam en bedreigd, maar die tijd is voorbij. De plant heeft de afgelopen dertig jaar een geweldige opmars in steden en langs het spoor gemaakt, waar ze nu volop voorkomt. Bleekgele droogbloem is kensoort van de plantengemeenschap Associatie van Strandduizendguldenkruid en Krielparnassia. Deze groeit als pioniergemeenschap in duinvalleien en aan randen van vaak gedeeltelijk door duinen omsloten strandvlakten. Daarnaast wordt ze ook wel op opgeschoten terreinen gevonden, zoals op enkele plaatsen in het IJsselmeergebied.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juli - oktober

Hoogte - 0,05-0,30(-0,50) m.

Geslachtsverdeling - polygaam

Wortels -

Stengels/takken - De rechtopstaande of opstijgende stengels zijn wit viltig behaard en meestal niet vertakt, maar soms wel bij de voet en hogerop meestal alleen in de bloeiwijze.

Bladeren - De verspreid staande bladeren zijn witviltig en hebben een ingerolde rand. De onderste bladeren zijn spatelvormig, de bovenste lijnvormig tot langwerpig. Ze hebben een half-stengelomvattende voet.

Bloemen - Polygaam (bloemen met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen en bloemen met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen zitten aan de top van de hoofd- en zijstengels, in afgeronde kluwens zonder bladeren aan de voet. De bloemen zijn oranje of roodachtig geel. Ze hebben geen lintbloemen. Het omwindsel is geelwit, kaal en glanzend.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen (pionier) op matig vochtige tot natte, matig voedselarme tot matige voedselrijke, basische, meestal kalkhoudende grond (zand en leem). Vaak op plaatsen die in de winter onder water staan en 's zomers droogvallen.

Groeiplaats - Zeeduinen (jonge duinvalleien), drooggevallen zandplaten en ingedijkte schorren aan de kust, afgravingen (zandgroeven), waterkanten (voedselarme, zandige vijveroevers en ondiepe vijvers), heide (drooggevallen bodems van heidevennen), drooggevallen greppels, natte plekken op opgespoten grond, parkeerplaatsen, langs spoorwegen (spoorwegterreinen), tussen straatstenen, bermen en kapvlakten (plekken waar bos of struweel is gekapt).
Familie: Asteraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: pionier op matig voedselarme, vochtige grond
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website