Paardenhoefklaver

Hippocrepis comosa


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Paardenhoefklaver staat op open, zonnige, matig droge tot matig vochtige, stikstofarme, matig voedselrijke, weinig of niet bemeste, kalkrijke zand- of mergelgrond, ook op kalksteen. De soort vermijdt standplaatsen op zware klei. Ze groeit op rivierduinen, in kalkgraslanden en op rotsachtige hellingen, in bermen en in steengroeven. De westgrens van het Midden-Europese areaal bereikt Nederland niet. Onze voormalige vindplaatsen zijn als een voorposten van het verspreidingsgebied te beschouwen. De soort groeide vroeger gedurende een lange tijd op een rivierduin bij Lexmond langs de Lek en kortstondig in de 80er jaren in Zuid-Limburg. Paardenhoefklaver wordt ook adventief aangetroffen. De vindplaats bij Lexmond betrof een steile zuidhelling in een hooiland met nabeweiding. Ze hier door kunstmatige beregening en eutrofiëring verdwenen. De locatie was bovendien omringd door zwaar bemeste percelen. Vroeger speelde de plant een rol bij hekserij en toverkunst. Ze werd als afrodisiacum gebruikt en werd ook medisch aangewend wegens de aanwezige werkzame psychofarmacologische stoffen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juli

Hoogte - 0,05-0,30 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een forse penwortel, die aan de top overgaat in een houtige wortelstok. Worteldiepte 20 tot 50 cm.

Stengels/takken - Stengels: De liggende tot opstijgende stengels zijn maar weinig behaard. De bloeistengels zijn donkergroen, vertakt en aan de voet verhout.

Bladeren - De bladeren zijn langgesteeld en geveerd met 3 tot 8 paar deelblaadjes en een zittend topblaadje.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De schermvormige bloeiwijze groeit op lange stelen vanuit een bladoksel. Elk bloeischerm bestaat uit 5 tot 10 bloemen. De bloemen zijn 0,6 tot 1,2 cm groot en goudgeel van kleur zonder roodachtige tinten. Van de 10 meeldraden is de bovenste vrij.

Vruchten - Een doosvrucht. De vruchten zijn heen en weer gebogen en 1 tot 3 cm lang. Bij rijpheid vallen ze in 1-zadige, hoefijzervormige delen uiteen. De zaden zijn zeer kortlevend (< 1 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen op matig droge tot matig vochtige, matig voedselrijke, niet of weinig bemeste, kalkrijke grond (zand, mergel en kalksteen).

Groeiplaats - Rivierduinen, hellingen, grasland (kalkgrasland), bermen en afgravingen (steengroeven).
Familie: Fabaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst (2012): Verdwenen uit Nederland
Zeldzaamheid: verdwenen
Ecologische groep: kalkgraslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website