Wede

Isatis tinctoria


© Bert Verbruggen

Ecologie & verspreiding
Wede staat op open, zonnige, droge, voedsel- en kalkrijke, stikstofarme, vaak stenige grond maar ook op leem- en kleibodems. Ze groeit in struwelen en ruigten, op braakliggend terreinen, in bermen en op dijken, op kalkrotsen en kalkkliffen, op puinhellingen en hoge delen van oeverbeschoeiingen langs rivieren. De blauwberijpte, alleen aan de voet behaarde plant komt oorspronkelijk uit Azië en Oost-Europa en is in de Middeleeuwen in cultuur genomen in grote delen van Europa. Toch gaat het voorkomen van de soort niet terug op verwilderde exemplaren, maar is ze als stroomdalplant vanuit Duitsland aangevoerd via de grote rivieren. Wede is zeldzaam in het Rijngedeelte van het Fluviatiele district en elders wel uitgezaaid. De soort is direct te herkennen aan haar hangende, sterk afgeplatte, eerst groene en later zwart wordende vruchten. Uit wede werd vroeger een blauwe kleurstof bereid. De Picten benutten destijds de kleurstof als oorlogskleur op hun huid en ook werd de plant gebruikt bij religieuze gebeurtenissen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,60-1,20 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een dikke wortel, die bovenaan vaak vertakt is.

Stengels/takken - De rechtopstaande, grijsgroene stengels zijn alleen aan de voet behaard.

Bladeren - De langwerpige rozetbladeren zijn gesteeld en zwak getand. De stengelbladeren hebben een gave rand en een pijlvormige voet, die de stengel omvat. Ze zijn blauwachtig groen met een witte middennerf.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De gele, 3 tot 4 mm grote bloemen groeien aan dichte, wijd vertakte pluimen.

Vruchten - Een doosvrucht. De hangende hauwtjes zijn langwerpig, plat, enigszins peervormig, smal gevleugeld en 1 tot 3 cm lang en 3 tot 7 mm breed. Eerst zijn ze groen, maar later worden ze zwart. Ze groeien aan gekromde steeltjes. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen op droge, matig voedselrijke, kalkrijke, vaak stenige grond (ook op leem en klei).

Groeiplaats - Waterkanten (hoge delen van oeverbeschoeiingen langs rivieren), braakliggende grond, steenpuinhellingen, ruigten (kalkrijke ruigten), rotsen, klippen, bermen en dijken.
Familie: Brassicaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: kalkrijke ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website