Duinrus

Juncus alpinoarticulatus subsp. atricapillus


© Stef van Walsum

Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juli - september

Hoogte - 0,20-0,60 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een kruipende wortelstok van enkele mm dikte.

Stengels/takken - Rechtopstaand. De onderste takken van de bloeiwijze staan schuin rechtop. De  stengels staan in rijen. De  bloeistengels kunnen aan de voet al of niet omhuld zijn door een paar scheden zonder bladschijf.

Bladeren - De bladschijf is verdeeld in kamers door van buiten af zichtbare tussenschotten. Gemiddeld zijn er drie volledige bladen.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloeiwijze is meestal gedrongen, bloemdekbladen donker roodbruin tot bruinzwart, alle ongeveer even lang, de buitenste min of meer stomp, meestal met een spitsje iets onder de top, 2-2½ mm, helmknoppen 0,7-1,3 mm. De onderste tak is meestal sterk verlengd en vertakt, zodat er twee bloeiwijzen boven elkaar lijken te staan.

Vruchten - Een doosvrucht. De vrucht (zonder de stijlrest) is meestal weinig langer dan het bloemdek. De vrucht is glanzend roodbruin tot zwart, met twintig tot vijfentwintig zaden. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Eenzaadlobbig (kiemend met één kiemblaadje).

Bodem - Zonnige, vrij open plaatsen (pioniervegetatie) op natte, voedselarme tot matig voedselrijke, basische, kalkhoudende zandgrond. Ook op brakke grond, maar wel met aanvoer van zoet water.

Groeiplaats - Zeeduinen (jonge duinvalleien, randen van strandvlakten, de grens van strandvlakten met duinruggen en drooggevallen zandplaten in voormalige zeearmen), moerassen (kalkmoerassen), soms op opgespoten grondvlakten en in karrensporen.
Familie: Juncaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: kalkmoerassen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website