Wilgsla

Lactuca saligna


© Jan Hein van Steenis

Ecologie & verspreiding
Wilgsla wordt gevonden op zonnige, open, droge tot matig vochtige, voedselrijke, stikstofrijke, basenrijke, vaak verstoorde zand-, leem- en kleigrond. Deze uitgesproken pionier groeit op dijken en zeedijken, op braakliggende bodems, op rotsachtige plekken, in vochtig, schraal tot bemest weiland, in wijngaarden, langs spoorwegen en op hellingen. In Zuid-Engeland, België, Duitsland en Nederland wordt de noordwest grens van haar Europees areaal bereikt. In Nederland stond de plant vroeger voornamelijk in het kustgebied. Ook is ze aangetroffen bij Nijmegen en Maastricht. Misschien sluiten die laatste vondsten aan bij de vroegere verspreiding langs de Maas in België. De soort vereist zeer zachte winters en kan op zwak ammoniakale bodems groeien en is dus een facultatieve zoutplant. Deze behoefte aan zachte winters en haar zouttolerantie zou de aanwezigheid in het kustgebied verklaren. De reden van haar verdwijnen uit Nederland is niet duidelijk, mogelijk spelen dijkverzwaring en het staken van schapenbeweiding een rol. De soort gaat echter overal in haar noordelijke verspreiding sterk achteruit.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juli - augustus

Hoogte - 0,20-0,60 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De rechtopstaande stengels zijn vaak vanaf de voet bezemvormig vertakt. Ze zijn witachtig en kaal.

Bladeren - De onderste bladeren zijn diep veervormig gedeeld met een lange, smalle eindlob en van elkaar verwijderd staande, smalle, spitse zijslippen. Tijdens de bloei zijn deze bladeren vaak al verdord. De hogere bladeren zijn lijnvormig tot langwerpig en hebben een pijlvormige stengelomvattende voet. De grijsgroene bladeren zijn niet gestekeld.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemhoofdjes staan afzonderlijk of zitten in groepjes van 2 of 3 in smalle trosvormige pluimen. De lichtgele hoofdjes zijn 0,9 tot 1,1 cm groot en bijna niet gesteeld. De omwindselbladen zijn groen.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn zwart en hebben een lange witte snavel, die 2 x zo lang is als het zaadje. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open (kale) tot grazige plaatsen op droge tot matig vochtige, voedselrijke, met name stikstofrijke en vaak iets ziltige grond.

Groeiplaats - Dijken, zeedijken, braakliggende grond, grasland (open plaatsen in vochtig, bemest grasland, schraal grasland en schraal weiland), rolsteenstranden, rotsachtige plaatsen, langs spoorwegen (spoorbermen) en hellingen.
Familie: Asteraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst (2012): Verdwenen uit Nederland
Zeldzaamheid: verdwenen
Ecologische groep: vochtige, bemeste graslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website