Aardaker

Lathyrus tuberosus


© Elza van Dorsser-Benne

Ecologie & verspreiding
Aardaker staat op zonnige, open tot grazige, matig droge tot vochtige, matig voedselrijke, zwak basische en stikstofarme, kalkhoudende grond, bestaande uit rivierklei, leem, löss, zavel en zand. De overblijvende plant groeit in lemige graanakkers en graslanden, in bosranden, struwelen en in heggen, in ruigten en plantsoenen, in bermen, op rivierdijken en braakliggende grond. Ook langs hoge en steile slootkanten, in duinvalleien, verlaten duinakkertjes en bij zeedorpen, langs spoorwegen en op stortterreinen. Nederland ligt binnen de Noordwestgrens van het Europese deel van het verspreidingsgebied. De soort is vrij algemeen in het rivierengebied en in Zeeland, vrij zeldzaam in Zuid-Limburg en in de Hollandse duinen en is elders zeer zeldzaam. Aardaker levert is een prima voedergewas, de zaden zijn echter giftig. De knolletjes die aan de ondergrondse wortels gevormd worden zijn eetbaar en uit het meel daarvan werd vroeger brood gebakken en een olie bereid, uit de bloemen werd parfum gewonnen.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - augustus

Hoogte - 0,30-0,90 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Ondergrondse uitlopers met 1-1,5 cm brede knolletjes op de vertakkingspunten. Worteldiepte: tot 50 cm.

Stengels/takken - De meestal kale, liggende, opstijgende of klimmende stengels zijn kantig en niet gevleugeld.

Bladeren - De geveerde bladen bestaan uit één paar ovale tot langwerpige, 1,5-4,5 cm lange, niet-vlezige, aan de top afgeronde en iets stekelpuntige deelblaadjes (fijn toegespitst) en een al of niet vertakte rank. De smalle steunblaadjes zijn half-pijlvormig.

Bloemen - Tweeslachtig (een plant met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Lang gesteelde trossen met twee tot zeven welriekende bloemen. Ze zijn helderrood of roze, 1,2-2 cm groot en hebben een brede vlag. De min of meer witte kiel is met het vruchtbeginsel linksom gedraaid.

Vruchten - Een doosvrucht. De 2-4 cm lange peulen zijn onbehaard. De zaden zijn giftig. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open tot grazige plaatsen op matig droge tot vochtige, matig voedselrijke, maar stikstofarme, kalkhoudende grond (rivierklei, leem, löss, zavel en zand).

Groeiplaats - Akkers (randen van lemige graanakkers), langs spoorwegen, bosranden, struwelen, heggen, plantsoenen, ruigten, stortterreinen, braakliggende grond, grasland (o.a. open plekken op rivierdijken), bermen, waterkanten (vooral hoge, steile slootkanten) en zeeduinen (duinvalleien en verlaten duinakkertjes).
Familie: Fabaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: vrij zeldzame soort
Ecologische groep: vochtige, bemeste graslanden
© 2024  FLORON
Ga naar de volledige website