Pijlkruidkers

Lepidium draba


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Pijlkruidkers staat op open en zonnige, ± droge tot vochtige, (zeer) voedselrijke, zwak basische tot vaak kalkhoudende, ± stikstofrijke en meestal omgewerkte en vaak kalkhoudende grond bestaande uit duinzand, leem, zavel en klei en verder ook op stenige plaatsen. De overblijvende en warmteminnende plant groeit in ruige bermen, op dijken en beschoeiingen van zeedijken, langs sloot-, kanaal- en rivieroevers, op puin en basaltglooiingen. Verder ook in akkerranden, wijngaarden en op braakliggende grond, op gestoorde plekken in de zeeduinen, in ruigten en onder heggen, op spoorweg- en industrieterreinen, in grindputten, op stort- en andere ruderale plaatsen. Ze stamt oorspronkelijk uit Zuidwest-Azië, Noord-Afrika en Zuid-Europa en is ingeburgerd in grote delen van ons continent. De soort is gedurende de 19e eeuw ingeburgerd in ons land en is tegenwoordig plaatselijk vrij algemeen in het kustgebied van Noord- en Zuid-Holland en Zeeland en zeldzaam langs de grote rivieren en in Zuid-Limburg. Elders zeer zeldzaam.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juli

Hoogte - 0,30-0,90 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een wortelstok. Worteldiepte tot 1 meter.

Stengels/takken - De stengels zijn grijsgroen en kaal of zwak behaard. Door de uitlopers groeien de planten vaak in grote groepen.

Bladeren - De langwerpige tot eirondrbladeren worden tot 10 cm lang en 1 tot 3 cm breed. De onderste zijn bochtig getand en lang gesteeld (tijdens de bloei zijn deze bladeren al afgestorven), de bovenste bladeren staan schuin omhoog, hebben een vrijwel gave rand, een pijlvormige voet en omvatten de stengel.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De witte bloemen groeien in dichte sterk vertakte schermvormige pluimen. De kroonbladen zijn 3 tot 4 mm lang.

Vruchten - Een doosvrucht. De lang gesteelde hauwtjes zijn 3 tot 4½ mm en de stijl is 1 tot 1½ mm. Ze zijn meer breed dan lang, hebben een hartvormige voet, een spitse top en zijn niet gevleugeld. Ze springen niet open. De zaden zijn langlevend (> 5 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen op vochtige, (zeer) voedselrijke, meestal omgewerkte en vaak kalkhoudende grond (duinzand, leem, zavel, klei en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Ruige bermen, dijken, beschoeiingen van zeedijken, braakliggende grond, akkers (akkerranden), wijngaarden, heggen, puin, ruderale plaatsen, ruigten, zeeduinen (verstoorde plekken), langs spoorwegen (spoordijken en spoorwegterreinen, tussen grind), industrieterreinen en waterkanten (slootkanten en basaltglooiingen).
Familie: Brassicaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: vrij zeldzame soort
Ecologische groep: voedselrijke ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website