Avondkoekoeksbloem

Silene latifolia subsp. alba


© Christien Labruijère

Ecologie & verspreiding
Avondkoekoeksbloem staat op zonnige, soms licht beschaduwde, open en warme, droge tot vochtige, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, vaak enigszins bemeste, maar humusarme, omgewerkte bodems (van zand tot klei) en op puin. Ze groeit in ruige, grazige begroeiingen, in akkers en akkerranden, op klavervelden en hellingen, op braakliggende grond en ruderale plaatsen zoals puinhopen, in bermen, struwelen en houtwallen, in heggen en onder hakhout, in bosranden en op kapvlakten, op spoorwegterreinen en bij molenbelten. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het areaal van de cultuurvolger die oorspronkelijk uit Zuidwest-Azië en het Middellandse Zeegebied stamt. De soort is algemeen in Nederland maar vrij zeldzaam in het noordelijk zeekleigebied. Ze behoort binnen Silene tot de groep die tweehuizig is en is in bloei te herkenen aan de witte, eenslachtige bloemen. In vrucht aan de schuin afstaande tanden en in alle stadia aan de bladeren, waar de grootste breedte onder het midden ligt.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - herfst

Hoogte - 0,45-1,00 m.

Geslachtsverdeling - éénslachtig, tweehuizig

Wortels - Worteldiepte tot 50 cm.

Stengels/takken - De zacht behaarde stengels zijn bovenaan kleverig door klierharen.

Bladeren - De langwerpige (elliptische tot lancetvormige) bladen worden 10 cm of langer. Ze zijn in of onder het midden het breedst en geleidelijk in de spitse top versmald. Ze zijn smaller en spitser dan die van Dagkoekoeksbloem. De onderste bladen zijn gesteeld, de bovenste meestal zittend.

Bloemen - Eenslachtig (een bloem met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). Tweehuizig (mannelijke en vrouwelijke bloemen op verschillende planten). De bloemen vormen samen een ijle, vertakte bloeiwijze. Mannelijke bloemen hebben vaak een duidelijk zichtbaar rudiment van een vruchtbeginsel, soms met één kort priemvormig stijltje. Verder kan bij deze bloemen het verlengstuk van de bloemsteel tussen kelk en kroon wel 0,5 cm lang zijn. Bij de Dagkoekoeksbloem en bij vrouwelijke Avondkoekoeksbloemen is dit veel korter. In alle delen zijn de bloemen van de Avondkoekoeksbloem wat groter (2-3 cm in doorsnee) dan die van de Dagkoekoeksbloem, maar de vijf stijlen zijn haast tweemaal zo lang. Gewoonlijk heeft de Avondkoekoeksbloem een geheel witte kroon, maar deze kan ook - vooral bij verwelking - een rozige tint krijgen. De tweespletige kroonbladen, die overdag verwelkt schijnen, strekken zich aaan het eind van de middfag en in de avond. De kelk is iets opgeblazen, die van mannelijke bloemen zijn kleiner en tiennervig, die van de vrouwelijke bloemen zijn groter en twintig-nervig. De kelkbuis is 1½-2 cm lang. De bloemen verspreiden dan een zoete geur.

Vruchten - Een doosvrucht. Deze wordt ongeveer 1½ cm lang. De tien rechte tanden van de opengesprongen vruchten staan schuin omhoog (bij Dagkoekoeksbloem zijn ze omgerold). De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, soms licht beschaduwde, open plaatsen (pionier) op droge tot vochtige, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, vaak enigszins bemeste, maar humusarme, omgewerkte grond (van zand tot klei en op puin).

Groeiplaats - Ruigten (ruige, grazige begroeiingen), akkers (akkerranden), ruderale plaatsen (o.a. puinhopen), braakliggende grond, hellingen, bermen, langs spoorwegen (spoorbermen en spoordijken), struwelen, houtwallen, heggen, bosranden, onder hakhout en bij molenbelten.
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: voedselrijke ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website