Gulden boterbloem

Ranunculus auricomus


© Grada Menting

Ecologie & verspreiding
Gulden boterbloem staat op zonnige tot beschaduwde, vrij droge tot vrij natte, matig voedselrijke, zwak zure tot vaak kalkhoudende, lemige of kleiige bodems (zand, leem, zavel, rivierklei en löss) en wordt ook op stenige plaatsen aangetroffen. Ze groeit in tal van bostypen, in boszomen, hakhout, heggen en houtwallen, in het zoetwatergetijdengebied, in binnenduinbossen en boezemlanden, in gras- en rietlanden, in bermen, aan dijkvoeten en soms in hooilanden. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het areaal. De soort is vrij zeldzaam maar zeer zeldzaam in Zeeland en in het noordoosten, ontbreekt in Flevoland en de noordelijke zeekleigebieden. Gulden boterbloem is achteruit gegaan door zware bemesting en toegenomen beweidingdruk. Het taxon vormt een complexe, vormenrijke soort die verdeeld kan worden in talrijke apomictische “kleine soorten”. Dat hele soortencomplex wordt door het verspreidingskaartje weergegeven. Ze is goed herkenbaar aan het verschil tussen rozet- en stengelbladeren, het “aangevreten bloemdek” en de behaarde vruchten.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - april - mei

Hoogte - 0,15-0,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De stengels zijn kaal of alleen bovenaan behaard. Bloemstelen zonder groeven.

Bladeren - De onderste bladen (die vaak al tijdens de bloei geel worden) zijn bijna rond en vaak niet of ondiep ingesneden. De andere bladen zijn handvormig met drie  tot vijf  smalle slippen. De schutbladen zijn verdeeld in vijf  of zeven  lijnvormige, meestal gaafrandige of soms gegaffelde slippen.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De gele bloemen zijn 1½-2½ cm. De bloemkroon is vaak niet goed ontwikkeld, doordat er één  of meerdere kroonbladen ontbreken of ze zijn verschillend van grootte. Soms zijn er wel vijf  kroonbladen volledig ontwikkeld. De kelkbladen zijn strogeel.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De nootjes zijn zacht behaard. Ze vormen een bolvormig, licht goudkleurig hoofdje met een haakvormige snavel. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één  jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot beschaduwde, maar meestal half beschaduwde plaatsen op vrij droge tot vrij natte, matig voedselrijke, zwak zure tot vaak kalkhoudende, lemige of kleiige grond (zand, leem, zavel, rivierklei, löss en op stenige plaatsen).

Groeiplaats - Bossen (loofbossen, parkbossen, beek- en rivierbeleidende bossen en langs bospaden), bosranden, houtwallen, heggen, hakhout in uiterwaarden en de hoogste delen van wilgenvloedbos, zeeduinen (in bossen aan de binnenduinrand), waterkanten (slootkanten en op enigszins afkalvende beekoeverwallen), rotsachtige plaatsen, moerassen (rietland), bermen en grasland (aan de voet van dijken, in boezemland en soms in hooiland).
Familie: Ranunculaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Kwetsbaar
Zeldzaamheid: vrij zeldzame soort
Ecologische groep: droge, voedselrijke bossen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website