Kruipende boterbloem

Ranunculus repens


© Grada Menting

Ecologie & verspreiding
Kruipende boterbloem staat op zonnige tot beschaduwde, open tot grazige, vochtige tot natte, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, vaak wat verdichte en/of verstoorde, niet te zure bodems die uit vrijwel alle grondsoorten kunnen bestaan. De vaak als pionier optredende plant verdraagt droogte en veel schaduw. Ze groeit in moerassen en duinvalleien, in bermen en akkers, in tuinen en plantsoenen, op braakliggende en/of omgewerkte grond, in ruigten en broekbossen, in graslanden en uiterwaarden, in loof- en naaldbossen, in geulen en aan waterkanten. De plant is inheems in de gematigde en koude streken van Europa, Azië en Noordwest-Afrika en is als cultuurvolgers bezig kosmopolitisch te worden. De soort is zeer algemeen in heel Nederland. De plant is goed herkenbaar aan haar bovengrondse, bebladerde en op haar knopen wortelende uitlopers. Verder zijn de stengels gegroefd en is het middelste topblaadje van de lange, drietallige rozetbladeren duidelijk gesteeld. De gelijkende zeer zeldzame Kalkboterbloem maakt geen uitlopers en heeft een sterk gebogen vruchtnagel.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juli

Hoogte - 0,10-0,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Worteldiepte 20-50 cm.

Stengels/takken - De opstijgende bloeistengels zijn gegroefd en meestal kaal. Met kruipende, bovengrondse, bebladerde uitlopers, die wortelen op de knopen.

Bladeren - De bladeren varieren van dof lichtgroen tot glanzend donkergroen, soms met een zwarte tekening. De rozetbladeren zijn lang gesteeld, driehoekig en drietallig. Het middelste topblaadje heeft steeds met een lange steel.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De gele bloemen zijn 2-3 cm. De kelk staat rechtop en de bloembodem is behaard.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. Vruchtjes met een zwak gekromde, bijna rechte snavel, die alleen aan de top iets is gebogen. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot licht beschaduwde, open tot grazige plaatsen (pionier) op vochtige tot natte, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, vaak wat verdichte en/of verstoorde, niet te zure grond (vrijwel alle grondsoorten).

Groeiplaats - Moerassen, bermen, zeeduinen (duinvalleien), akkers, tuinen, omgewerkte grond, braakliggende grond, plantsoenen, ruigten, grasland, uiterwaarden, bosranden, bossen (wilgenvloedbossen en langs bospaden), langs wegen in geultjes en waterkanten (open plekken o.a. langs poelen, sloten en vijvers).
Familie: Ranunculaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: storingsmilieus
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website