Blaartrekkende boterbloem

Ranunculus sceleratus


© Cor Nonhof

Ecologie & verspreiding
Blaartrekkende boterbloem is aan te treffen op een open, zonnige, soms licht beschaduwde, natte, voedsel- en stikstofrijke, zuurstofarme, meestal kalkhoudende, organische bodem die uit allerlei grondsoorten kan bestaan. Vaak op tijdelijk overstroomde plaatsen en soms ook in zwak brak milieu. De eenjarige plant groeit langs begraasde sloten, ondiepe plassen en op andere modderige oevers, langs duinplassen, in moerassen en op net drooggevallen plekken in broekbossen, op opgespoten grond en op spoorwegterreinen, op gestorte bagger, in nieuwe greppels, in moes- en volkstuintjes, tussen straatstenen en in goten. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het areaal. De soort is zeer algemeen in Nederland maar vrij zeldzaam op de Veluwe. Het taxon is goed herkenbaar aan de holle stengels (zorgen voor zuurstoftransport naar de wortels), de bloemboden die duidelijk hoger dan breed is en meer dan 60 vruchtjes draagt en verder de van boven glanzende bladeren.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - herfst

Hoogte - 0,05-0,70 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De rechtopstaande, dikke stengels zijn bleekgroen, gegroefd, vrijwel kaal, iets glanzend, vlezig en hol van binnen. De bloemstelen zijn gegroefd. De buisvormige stengel vergemakkelijkt de zuurstoftoevoer naar de wortels, die in zeer zuurstofarme omstandigheden moeten groeien.

Bladeren - De dikke, glanzend groene bladeren zijn in drieën gedeeld. Ze zijn getand tot diep ingesneden. De bovenste bladeren hebben 3 slippen en zijn niet gesteeld. Onder water groeiende planten hebben grote drijvende bladen. Deze planten bloeien vaak niet.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen vormen vertakte kluwens. Ze zijn lichtgeel en 0,5-1 cm. De kelkbladen vallen spoedig af. Ze zijn iets teruggeslagen en ongeveer even groot als de kroonbladen. De bloembodem is meestal behaard.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. Het vruchthoofdje is rond tot iets langwerpig en 0,6-1 cm lang. Het bevat tot zestig of meer, ongeveer één mm grote, vrijwel niet gesnavelde vruchten. Soms hebben ze een korte, stompe snavel. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, soms licht beschaduwde, open plaatsen (pionier) op natte, voedselrijke, met name stikstofrijke, zuurstofarme, meestal kalkhoudende, organische grond. Vaak op tijdelijk overstroomde plaatsen. Ook in zwak brak milieu (alle grondsoorten).

Groeiplaats - Waterkanten (langs begraasde sloten, ondiepe plassen en andere modderige oevers), zeeduinen (langs duinplassen), moerassen, in goten, tussen straatstenen, langs spoorwegen (spoorwegterreinen), opgespoten grond, baggerstortterreinen, nieuwe greppels, moestuinen en bossen (op kale net drooggevallen grond in moerasbossen). De korte levenscyclus geeft Blaartrekkende boterbloem een voorsprong op andere pioniers van dezelfde standplaatsen: de nakomelingen van één vroeg in de zomer bloeiende plant kan nog dezelfde zomer een flinke oppervlakte bedekken.
Familie: Ranunculaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: pionier op stikstofrijke, natte grond
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website