Kleine ratelaar

Rhinanthus minor


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Kleine ratelaar is tegenwoordig in Nederland vrij zeldzaam op bermen, dijken en hooilanden en profiteert van extensief maaibeheer. Op de Waddeneilanden, Hollandse duinen en Zuid-Limburg komt de soort wat meer voor. Elders in Nederland treffen we Kleine ratelaar meestal aan op lemige zand- of kleigrond. Het lijkt alsof zij in ons land vroeger algemeen voorkwam op zand en kleigrond. Het verspreidingskaartje geeft echter geen juist beeld; tot ver in de 19e eeuw werd Kleine ratelaar niet erkent als aparte soort en –in navolging van Linnaeus – samen met Grote ratelaar tot één soort gerekend (Rhinanthus crista-galli). In onze tijd is Kleine ratelaar de zeldzaamste van de twee en bovendien afnemend. Zij groeit voornamelijk in laag productieve graslanden met een hooilandbeheer. Kleine ratelaar en Grote ratelaar lijken op elkaar; bij de laatste zijn de schutbladen van de bloemen opvallend lichtgekleurd. Kleine ratelaar heeft een kleinere bloemkroon met een meestal wittige -soms blauwpaarse- bovenlip.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - september

Hoogte - 0,10-0,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Worteldiepte 10-20 cm.

Stengels/takken - De rechtopstaande stengels zijn al dan niet vertakt. Vaak hebben ze zwarte strepen of stippen en ze zijn niet of maar weinig behaard.

Bladeren - De donkergroene, langwerpige tot lijnvormige bladeren zijn 0,5-1,5 cm breed en getand. De schutbladen hebben dezelfde kleur en iets toegespitste maar niet genaalde tanden, die naar de top van het schutblad toe kleiner worden.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De lichtgele bloemen zijn 1-1½ cm. De kroonbuis is recht. De onderlip staat af. De 0,5-1 mm lange tanden van de bovenlip zijn meer breed dan lang en afgerond. De keel staat min of meer open. De stempel is korter dan de bovenlip. De kelk is kaal of hoogstens aan de rand behaard.

Vruchten - Een doosvrucht. De zaden zijn kortlevend (één tot vijf  jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige plaatsen op vochtige tot droge (gemiddeld op iets drogere plaatsen dan Grote ratelaar), voedselarme tot matig voedselrijke, zwak zure tot kalkhoudende, maar meestal basische grond. Ook in zwak brak milieu (zand, leem, zavel, klei, mergel en veen). Kleine ratelaar is een halfparasiet en parasiteert op grassen.

Groeiplaats - Rivierduinen, zeeduinen (duinhellingen en ijl struwelen in duinvalleien), venen, grasland (nabegraasd grasland, schraal hooiland, kalkgrasland, vochtig beekdalhooiland en polderboezems), bermen, zandige dijken en heide (grazige, droge heide op leem).
Familie: Orobanchaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Gevoelig
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: droge heiden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website