Kluwenzuring

Rumex conglomeratus


© Willem Braam

Ecologie & verspreiding
Kluwenzuring staat op ± open, zonnige tot licht beschaduwde, vochtige tot vaak natte, zeer voedselrijke, ± compact en verstoorde bodems bestaande uit allerlei grondsoorten. De overblijvende plant groeit in verstoorde graslanden en graslanden in uiterwaarden, in bermen en akkers, in bosranden, op bospaden en open plekken in bossen. Verder langs grachten, sloten en greppels, op braakliggende grond en in afgravingen. Het verspreidingsgebied omvat West-, Midden- en Zuid-Europa, Zuidwest-Azië, het Atlasgebergte en een aantal eilanden in de Atlantische oceaan. Ze is als cultuurvolger ook in andere werelddelen terecht gekomen. De soort is zeer algemeen, vooral in het Hafdistrict, het rivierengebied en Gelderland, is vrij zeldzaam in Drenthe, de Wadden, Flevoland en Zuid-Limburg. Kluwenzuring lijkt op Bloedzuring maar bij Kluwenzuring zijn de bloempluimen tot halverwege of meer bebladerd (tegen over tot de voet bebladerd) en de vruchtsteeltjes zijn even lang als de vruchtkleppen, die 3 knobbels dragen (tegenover veel langere vruchtstelen dan de vruchtkleppen, die slechts 1 knobbel dragen).
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - augustus

Hoogte - 0,50-1,00 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een penwortel.

Stengels/takken - De rechtopstaande, min of meer zigzaggende stentels zijn vaak sterk rood aangelopen.

Bladeren - De langgesteelde bladeren zijn langwerpig-eivormig, 5-20 cm, naar de top versmald en aan de voet min of meer afgerond. De bovenste bladeren zijn smaller en spits.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De groenige bloemen vormen samen een losse, sterk vertakte pluim, die minstens tot de helft, soms tot bovenaan bebladerd is met vrij ver van elkaar staande kluwens. De 2-3 mm lange, binnenste drie  bloembladen zijn langwerpig en smal met een gave rand en zonder tanden.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De steeltjes zijn hoogstens even lang als de vruchtkleppen. Deze zijn langwerpig tot eirond, niet getand, met een brede voet en een tongvormig verlengde top. Alle drie de vruchtkleppen hebben een dikke knobbel. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, soms licht beschaduwde, halfopen tot open plaatsen op vochtige tot vaak natte, voedselrijke tot zeer voedselrijke, min of meer compacte en verstoorde grond (de meeste grondsoorten).

Groeiplaats - Waterkanten (o.a. langs grachten, sloten en greppels), grasland (verstoorde plaatsen, in de winter onder water staande grasvelden en uiterwaarden), bermen, braakliggende grond, bosranden, bossen (open plekken in loofbossen en langs bospaden), akkers en afgravingen (o.a. kleigroeven).
Familie: Polygonaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: storingsmilieus
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website