Driekantige bies

Schoenoplectus triqueter


© Jakob Hanenburg

Ecologie & verspreiding
Driekantige bies prefereert zonnig, open en ondiep, voedsel- en stikstofrijk, zwak basisch water boven een bodem van zand of week slib, maar ook op stenige ondergrond met slib. Ze staat vooral op plekken waar zwak brak water overgaat in helemaal zoet water. Ze groeit op droogvallende slik- en zandplaten en op (slibrijke) rivieroeverwallen, vooral op sterk aan stroom blootgestelde plaatsen in getijdengebieden. Nederland ligt aan de noordwest grens van het Europese deel van het areaal en ze is zeldzaam en bijna uitsluitend bekend van het westelijke rivierengebied. De soort is sterk achteruitgegaan door het wegvallen van grote getijdenverschillen na de aanleg van de deltawerken. Driekantige bies wordt gekenmerkt door de grijsgroene, driekantige stengel met onderaan enige schijfloze scheden en geen of slechts 1 ontwikkelde bladschijf van hooguit 6 cm. De bloeiwijze draagt gesteelde of geclusterde aartjes, de roodbruine kafjes hebben afgeronde lobben, zijn niet of nauwelijks ingesneden en hebben een heel klein stekelpuntje.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - september

Hoogte - 0,50-1,00 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een kruipende, bruine, taaie, tot 0,5 cm dikke wortelstok met uitlopers, die voornamelijk beworteld zijn onder de aftakkingspunten van de stengels.

Stengels/takken - De gladde, scherpe, maar niet snijdende stengels zijn driekantig met één  holle en twee  vlakke kanten. Ze worden tot ruim 0,5 cm breed. Aan de voet zit één  of soms geen volledig blad. Daaronder zitten enige bladschijfloze scheden.

Bladeren - De gootvormige bladeren zijn iets smaller dan de stengel en worden zelden langer dan 6 cm.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen vormen samen een tuilvormige bloeiwijze met kortere en langere takken of soms vormen ze een hoofdje. De bruine aren zijn eivormig en bevatten veel bloemen. Ze worden tot ruim 1 cm lang en ongeveer half zo breed. De stijl heeft twee  stempels. De kafjes hebben bovenaan twee  afgeronde lobben, die niet of nauwelijks zijn ingesneden. De middennerf komt er als een heel klein stekelpuntje uit.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De gladde zaadjes zijn omgekeerd-eirond, platbol en 2-2½ mm lang. Eenzaadlobbig (kiemend met een kiemblaadje).

Bodem - Zonnige, open plaatsen in ondiep, voedselrijk water met een bodem van zand of week slib, maar ook wel op met slib bedekte rotsachtige grond (dijkbeschoeiingen). Vooral op plekken waar zwak brak water overgaat naar helemaal zoet. De groeiplaatsen overstromen tweemaal daags.

Groeiplaats - Waterkanten en in het water (slibrijke oevers en in het water in zoetwatergetijdengebieden, droogvallende slik- en zandplaten en op rivieroeverwallen, vooral op sterk aan de stroom blootgestelde plaatsen).
Familie: Cyperaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: voedselrijke oevers
© 2024  FLORON
Ga naar de volledige website