Zaagblad

Serratula tinctoria


© Willemien Troelstra

Ecologie & verspreiding
Zaagblad staat op zonnige tot half beschaduwde plaatsen op vochtige tot vrij natte, voedselarme tot matig voedselrijke, basenrijke, humusrijke, meestal zwak zure, zelden kalkhoudende, lemige tot kleiige grond. In het centrum van haar verspreidingsgebied staat ze vooral in onbemeste en soortenrijke hooilanden. Naar het westen toe duikt ze ook op heel andere standplaatsen: bossen (op lichte plekken en langs greppels), bosranden, loofhoutbosjes, struwelen, heiden, diverse graslandtypen (blauwgraslanden, schrale graslanden en beekdalgraslanden) en bermen. Haar noordgrens bereikt ze in Noord-Engeland, Nederland, Zuid-Scandinavië en het Oostzeegebied. In Nederland werd de soort vroeger aangetroffen in het noordoosten van het land en langs de Overijsselse Vecht (voor het laatst gezien in 1977), maar rekt ze haar bestaan nog in een enkele tuin. In heel Centraal Europa gaat de soort achteruit, met name door verdroging en bemesting. In Nederland is haar verdwijnen te wijten aan het stoppen van hakhoutbeheer, het verruigen en vergraven van groeiplaatsen en vermesting.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juli - september

Hoogte - 0,30-0,90 m.

Geslachtsverdeling - polygaam

Wortels - Een korte, dikke wortelstok. Worteldiepte 20 tot 50 cm.

Stengels/takken - De dunne stengels zijn niet gevleugeld, kaal en donkergroen.

Bladeren - De rozetbladeren hebben lange stelen. De stengelbladeren zijn vaak dieper ingesneden. Verder zijn ze scherp gezaagd, eirond of langwerpig en ongedeeld tot geveerd. De bovenste bladeren hebben geen steel.

Bloemen - Polygaam (bloemen met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen en bloemen met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemhoofdjes vormen samengestelde pluimen. De smalle, paarse hoofdjes zijn 1½ tot 2 cm lang en eivormig. De bloemen zijn niet stralend. Ze kunnen 2-slachtig zijn of vrouwelijk. Het opgerichte, paarsachtige omwindsel is ongeveer 2 keer zo hoog als breed. Het heeft geen stekels. De omwindselbladen liggen als dakpannen over elkaar en tegen elkaar aangedrukt. Ze hebben een paarsrode top. De bloemhoofdjesbodem is vlak en gevuld met merg. De stroschubben lijken op haren.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn 5 mm lang. Het vruchtpluis bestaat uit licht strokleurige haren, die aan de voet niet met elkaar vergroeid zijn en ieder apart afvallen. De zaden zijn zeer kortlevend (< 1 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot half beschaduwde plaatsen op vochtige tot vrij natte, voedselarme tot matig voedselrijke, humeuze, meestal zwak zure, zelden kalkhoudende, lemige tot kleiige grond.

Groeiplaats - Bossen (lichte plaatsen en langs greppels), bosranden, loofhoutbosjes, struwelen, heide, grasland (blauwgrasland, schraal grasland en beekdalgrasland), bermen en langs holle wegen.
Familie: Asteraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst (2012): Verdwenen uit Nederland
Zeldzaamheid: verdwenen
Ecologische groep: blauwgraslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website