Kegelsilene

Silene conica


© Peter Meininger

Ecologie & verspreiding
Kegelsilene staat op open en zonnig, droog en voedselarm, neutraal tot kalkrijk, omgewerkt duinzand en op stenig substraat. De eenjarige plant groeit in mosduinen, in duingraslanden en droge, neutrale graslanden, in bermen en zandwallen, in betreden grasveldjes, in duinweiden en verstoorde plaatsen, op hellingen en puin, op zanddijkjes en op aangevoerd duinzand van spoorweg- en bouwterreinen en andere ruderale plaatsen. Het areaal omvat vooral de steppegebieden in Zuidwest-Azië en in het Middellandse-Zeegebied, maar ook in droge streken in West-Europa, noordelijk tot in het uiterste zuiden van Scandinavië. Ze is ingeburgerd in Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. In Nederland is de soort vrij zeldzaam in het duingebied, zeldzaam in het Urbaan district (Rijnmond) en is zeer zeldzaam in het rivierengebied en op de Waddeneilanden. Kegelsilene is gemakkelijk herkenbaar aan haar 20-30 nervige kelk waarbij de nerven niet met elkaar verbonden zijn en verder aan de bovenaan beklierde stengel.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - juni

Hoogte - 0,15-0,45 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De zacht grijsachtig behaarde stengels zijn bovenaan kleverig behaard.

Bladeren - De middelste en bovenste bladeren zijn langwerpig tot lijnvormig en niet breder dan 0,5 cm. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste niet.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De 4-5 mm grote, alleenstaande of met weinig bij elkaar groeiende bloemen zijn bleekroze tot paarsrood of soms wit. De kroonbladen zijn iets ingesneden. Ze steken weinig uit de stevige, groene of roodbruine kelk, stevige kelk. De kelk is kegelvormig, sterk geribd (met dertig  nerven) en bolt later op. De kelkslippen zijn smal driehoekig. Bloemen met  drie  stijlen.

Vruchten - Een doosvrucht. De openspringende kelk is sterk opgeblazen. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen op droge, voedselarme, neutrale tot kalkrijke, omgewerkte grond (duinzand en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Zeeduinen (mosduinen, bermen, zandwallen, betreden grasveldjes, grasland (duingrasland en droog neutraal grasland), duinweiden en verstoorde plaatsen), ruderale plaatsen, bermen (aangevoerd duinzand), bouwterreinen (aangevoerd duinzand), hellingen, puin, zanddijkjes en langs spoorwegen (spoorwegterreinen).
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: droge, neutrale graslanden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website