Betonie

Betonica officinalis


© Marian Baars

Ecologie & verspreiding
Betonie groeit op zonnige plaatsen op matig droge tot matig vochtige, matig voedselarme, niet of weinig bemeste, humeuze, zwak zure of basische, vaak kalkrijke bodems als leem, zand, zavel, mergel en stenige plaatsen. De plant staat langs bosranden, in onbemest grasland, hooiland, kalkgrasland, duingrasland, bermen, op grazige hellingen en langs holle wegen. In Nederland is Betonie zeer zeldzaam in Zuid-Limburg. Zij komt in de rest van in het land verwilderd voor. Betonie is als sierplant en nectarplant voor bijen, hommels en vlinders in de handel verkrijgbaar. Als gevolg van sterke bemesting, afgraving van haar groeiplaatsen en het staken van hakhoutbeheer gaat Betonie in Nederland achteruit. Betonie is kensoort voor de Associatie van Betonie en Gevinde kortsteel, een plantengemeenschap die in Zuid-Limburg op voorheen beweide graslanden aan de bovenrand van kalkhellingen voorkomt.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - augustus

Hoogte - 0,30-0,90 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Een wortelstok. Worteldiepte tot 10 cm.

Stengels/takken - De rechtopstaande, niet vertakte stengels zijn kort en zacht behaard, met opvallend lange stengelleden en met een iets verhoute voet. De stengel met één tot drie bladparen.

Bladeren - De glanzend donkergroene, 3-10 cm lange wortel- en stengelbladen zijn langwerpig-eirond met een min of meer afgeronde top, een regelmatig en diep gekartelde rand en een hartvormige voet. De bladrozetten verwelken niet. De onderste bladen zijn lang gesteeld, de bovenste kort gesteeld tot zittend. Alle bladen zijn netvormig gerimpeld. De meeste bladeren vormen het wortelrozet (er zijn slechts éé tot drie paar stengelbladen).

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De schijnkransen staan in de oksels van heel kleine, lancetvormige schutbladen en zijn opeengedrongen tot een vrij korte, langwerpige, dichte, rolronde bloeiwijze (een aar, die soms onderaan is onderbroken) aan de stengeltop. De bloemen zijn roodpaars of bleekroze, zeer zelden wit en 1,2-1,8 cm lang, ruim twee keer zo lang als de kelk. De bovenlip is tamelijk recht en weinig gewelfd, de onderlip is ongeveer even lang. De kelk met vijf borstelig genaalde tanden.

Vruchten - Een splitvrucht. Glanzende, bruine vruchtjes met vier zaden. De zaden zijn kortlevend (1-5 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige plaatsen op matig droge tot matig vochtige, matig voedselarme, niet of weinig bemeste, humeuze, zwak zure tot basische, vaak kalkrijke grond (leem, zand, zavel, mergel en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Bosranden, grasland (onbemest grasland, hooiland, kalkgrasland, grazige hellingen), bermen en langs holle wegen.
Familie: Lamiaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Bedreigd
Zeldzaamheid: zeldzame soort
Ecologische groep: kalkrijke zomen
© 2020  FLORON
Ga naar de volledige website