Bezemdophei

Erica scoparia


© Joost Bouwmeester

Ecologie & verspreiding
Bezemdophei prefereert zonnige tot licht beschaduwde, droge tot natte, voedselarme en zure silicaatbodems, ook op voedselarm, zuur duinzand. Ze groeit in bossen en in natte en droge heiden. In Nederland staat ze in kalkarme duinheide, aan de rand van vochtige, zure duinvalleien en in lichte dennenaanplantingen. Het natuurlijk voorkomen van deze plant is beperkt tot Zuid- en Zuidwest-Europa. De soort is zeer zeldzaam op Terschelling, waar ze ingeburgerd is tussen 1925 en 1949. In het verleden is de plant ook aangetroffen op Vlieland en Texel en bij Callantsoog maar heeft zich hier niet kunnen handhaven. Bezemdophei zou met het transport van landmijnen op de Wadden terecht zijn gekomen. De plant is goed herkenbaar aan de kleine bloemen, de meeldraden dragen geen aanhangels en steken niet of nauwelijks buiten de kroon uit. De bladeren bezitten verder aan de onderkant 2 overlangse groeven. Bestuiving geschiedt door hommels en bijen, het fijne zaad wordt door de wind verspreid.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juli - augustus

Hoogte - 0,50-1,00(-3,00) m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - Een slanke, rechtopstaande struik, die bezemvormig is vertakt, met witachtige onbehaarde twijgen. Een deel van de bladen heeft in de oksels korte, bebladerde zijtakjes.

Bladeren - Wintergroene bladen in kransen van drie of vier. Ze zijn lijnvormig en kaal of zeer kort gewimperd. Aan de onderkant zie je aan elke kant van de hoofdnerf een lengtegroef.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De kleine, 1,5-3 mm lange, groenige, soms iets rood getinte bloemen groeien in lange, smalle (cylindriche) trossen. Ze hebben een klokvormige, vierspletige kroon, waar de meeldraden net niet en de stijl juist wel buiten uitsteken. De helmknoppen zonder aanhangsels. De kelk is 0,5-1,5 mm en de eironde kelkslippen zijn vrij stomp en kaal.

Vruchten - Een doosvrucht. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot soms licht beschaduwde plaatsen op droge tot vrij natte, voedselarme, zure kalkarme grond (duinzand).

Groeiplaats - Zeeduinen (duinheide, aan de rand van duinvalleien en in lichte dennenaanplantingen) en droge heide.
Familie: Ericaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: exoot (na 1900 verwilderd of aangeplant)
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: droge heiden
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website