Blauw guichelheil

Anagallis arvensis subsp. foemina


© Adrie van Heerden

Ecologie & verspreiding
Blauw guichelheil staat op open, zonnige, matig droge tot vochtige, kalkrijke, matig stikstofrijke, basenrijke, matig voedselrijke zand- leem- en mergelbodems. Ze groeit in graanakkers, op stoppelvelden, zelden in akkers met hakvruchten, op braakliggend terrein, in moestuinen, op omgewerkte grond en ruderale plaatsen bij korenmolens, graanpakhuizen en meelfabrieken. Het is een kensoort van het Caucalidion-Verbond. De oorspronkelijk zuidelijke soort komt zeer zeldzaam voor in Zuid-Limburg en is ook op enkele andere plaatsen aangetroffen. De zaden worden met de wind of samen met zaaigoed verspreid en behouden hun kiemkracht tot meer dan 60 jaar. De soort is giftig, met name vogels zijn er gevoelig voor en worden nog wel eens het slachtoffer door verwisseling met de eetbare Vogelmuur. Guichelheil genoot vroeger faam als remedie tegen melancholie en hondsdolheid. Mogelijke verwarring met blauw bloeiende vormen van de andere ondersoort (Rood guichelheil) valt te vermijden door het aantal en de details van de klierachtig gewimperde kroonslippen te bekijken.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - herfst

Hoogte - 0,05-0,50 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Worteldiepte tot 20 cm.

Stengels/takken - De liggende tot opstijgende stengels wortelen niet.

Bladeren - De zittende bladeren staan meestal tegenover elkaar, maar soms in kransen van drie. Ze zijn eirond tot langwerpig-eirond. Van onderen heben ze zwarte klierpuntjes.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De blauwe bloemen zijn even lang of iets langer dan de kelk. De kroonslippen hebben weinig of geen klierharen aan de rand. De kroonbladen zijn smaller dan die van Rood guichelheil en bedekken elkaar niet aan de randen. Ze zijn ongeveer 6 mm lang en 3,5 mm breed. Aan de top zijn ze gezaagd en ze hebben viercellige klierharen. De kelkbladen zijn fijn gezaagd.

Vruchten - Een doosvrucht. De zaden zijn langlevend (langer dan vijf jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, warme, open plaatsen op vochtige, kalkrijke, matig voedselrijke grond (zand en mergel).

Groeiplaats - Akkers (graanakkers), omgewerkte grond, braakliggende grond, tuinen (moestuinen) en ruderale plaatsen bij graanpakhuizen, korenmolens en meelfabrieken.
Familie: Primulaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Rode Lijst: Bedreigd
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: kalkrijke akkers
© 2024  FLORON
Ga naar de volledige website