Geelwitte ossentong

Anchusa ochroleuca


© Hans Toetenel

Ecologie & verspreiding
Geelwitte ossentong staat op open, zonnige, warme, droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, stikstofrijke, kalkhoudende, vaak omgewoelde zandige en stenige bodems. Ze groeit in zeeduinen, in ruigten, op puinhellingen en op spoorterreinen. De oorsprong van deze soort ligt in Zuidoost-Europa en oostelijk Midden-Europa en is met graan, vogelvoer en wol ingevoerd in West-Europa en zo in de duinen tussen Egmond en Wassenaar ingeburgerd. Geelwitte ossentong onderscheidt zich niet alleen in bloemkleur van Gewone ossentong maar ook door de stengelbeharing en eigenschappen van de kelk. Bij de eerstgenoemde dragen de stengels bovenaan afstaande tot aangedrukte haren en de haren aan de onderzijde zijn uitsluitend terug geslagen. Bij de andere soort hebben de stengels een afstaande beharing. De kelkslippen bij Geelwitte ossentong is stomp en hebben een witte, vliezige rand, die van Gewone ossentong zijn vrij spits en zijn niet of nauwelijks vliezig gerand. Na insectenbestuiving worden de rijpe zaden meestal door mieren versleept.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - augustus

Hoogte - 0,30-0,70 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken - De rechtopstaande stengels zijn afstaand tot aangedrukt behaard. Onderaan groeien naar beneden gerichte haren.

Bladeren - De langwerpige tot lijnvormige bladen zijn meestal minder dan 1 cm breed.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De bleekgele tot witte bloemen zijn 0,7-1 cm. De kelk is tot minder dan de helft ingesneden. De kelkslippen zijn stomp. Tanden met  een witte rand.

Vruchten - Een splitvrucht. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, warme, open plaatsen op droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalhoudende, vaak omgewerkte grond (zand en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Zeeduinen, ruigten (kalkrijke ruigten), puin en langs spoorwegen.
Familie: Boraginaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: exoot (na 1900 verwilderd of aangeplant)
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: kalkrijke ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website