Bezemkruiskruid

Senecio inaequidens


© Arie van den Bremer

Ecologie & verspreiding
Bezemkruiskruid is een pionier van zonnige, matig voedselrijke, vochtige, stenige of gruisachtige bodems. Zij is een algemene verschijning op bouwgronden, langs spoorwegen, in wegbermen, op muren, in groeven, langs slootkanten, langs rivieroevers op omgewerkte grond, op ruderale terreinen. In de duinen komt de plant ook in de zeereep voor. De soort komt oorspronkelijk uit zuidelijk Afrika, waar zij van nature voorkomt op rotsige berghellingen en op met kiezel bedekte beekbodems, en is eind negentiende eeuw met wol Nederland ingevoerd. Na een bestaan op bescheiden schaal veroverde plant na 1970 in sneltreinvaart Nederland via spoor, weg en water. Bezemkruiskruid is algemeen in het stedelijk gebied en Zuid-Limburg. Elders is zij vrij zeldzaam, maar breidt zij zich sterk uit. De soort is tegenwoordig tot diep in natuurgebieden te vinden.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - december

Hoogte - 0,20-1,10 m.

Geslachtsverdeling - polygaam

Wortels - Een diepgaand wortelstelsel.

Stengels/takken - Bezemvormig vertakt en weinig of niet behaard. De stengels zijn opstijgend, kantig en meestal glanzend rood. Ze zijn vanaf de houtige voet vertakt. Het onderste, houtige deel overwintert.

Bladeren - De bladen zijn smaller dan die van de andere inheemse kruiskruiden. Ze zijn lijnvormig, 1-5 (soms tot 8) mm breed, donkergroen, iets vlezig, aan de voet verbreed (een geoorde voet) en halfstengelomvattend. De bladrand is gaaf tot meestal getand.

Bloemen - Polygaam (bloemen met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen en bloemen met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen vormen een losse pluim, die voor de bloei overhangt. De tien tot veertien lintbloemen (straalbloemen) zijn glanzend goudgeel, zelden bleekgeel. De buitenkrans van het omwindsel telt tien of meer blaadjes (gemiddeld dertien), die naar boven toe uitlopen in een witte, franjeachtig getande rand.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De nootjes zijn behaard en met sneeuwwit vruchtpluis (pappus). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, zelden licht beschaduwde, vrij open plaatsen (pionier) op matig droge tot vrij natte, matig voedselrijke grond (zand, zavel, löss, mergel en stenige plaatsen).

Groeiplaats - Langs spoorwegen, zeeduinen, vrij open plekken langs rivieren en kanalen, bermen, afgravingen (grindgaten), mijnsteenbergen, vluchtheuvels, parkeerplaatsen, omgewoelde bermen, opgespoten grond, braakliggende grond, omgewerkte grond, nate ruigten, tussen straatstenen, tegen muren, plantsoenen, industrieterreinen, haventerreinen en steile hellingen. In Zuid-Afrika komt de plant voor in de bergen in het oosten op rotsige hellingen en met kiezel bedekte beekbodems.
Familie: Asteraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: exoot (na 1900 verwilderd of aangeplant)
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: natte ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website