Oostelijk kruiskruid

Senecio vernalis


© Willem Braam

Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - november

Hoogte - 0,15-0,45 m.

Geslachtsverdeling - polygaam

Wortels -

Stengels/takken - De stengels zijn aan de basis al of niet vertakt. Hogerop vertakken de stengels zich alleen in de bloeiwijze. Ze zijn spinrag-achtig behaard, maar deze beharing verdwijnt spoedig.

Bladeren - De rozetbladeren zijn naar de voet steelvormig versmald. Vooral van onderen zijn ze spinnenwebachtig behaard. Ze zijn vrij stijf, langwerpig en veervormig gespleten met vrij korte slippen. Ze hebben bochtige, kroezige insnijdingen en stekelige tandjes. De middelste en bovenste bladeren hebben een geoorde voet en omvatten de stengels.

Bloemen - Polygaam (bloemen met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen en bloemen met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). De bloemen groeien in een vrij losse bloeiwijze, meestal met een vrij klein aantal hoofdjes. De bloemhoofdjes zijn 2 tot 3 cm groot. De gele lintbloemen zijn 0,8 tot 1 cm lang en zijn vlak uitgespreid. Het omwindsel is breed komvormig en ongeveer even hoog als breed. De buitenste krans van het omwindsel heeft 6 tot 12 blaadjes. Het buitenomwindsel is bovenaan kaal en bijna tot aan het midden zwart.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn aanliggend behaard. Het vruchtpluis is wit. De zaden zijn zeer kortlevend (< 1 jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige, open plaatsen op vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke, omgewerkte grond (zand, zavel en klei).

Groeiplaats - Braakliggende grond, akkers, grasland (nieuw ingezaaide grasvelden), bermen, ruigten (voedselrijke ruigten), zeeduinen (hoogste delen van zandige strandvlakten) en schelpenbankjes.
Familie: Asteraceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: exoot (na 1900 verwilderd of aangeplant)
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
Ecologische groep: voedselrijke ruigten
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website