Heen

Bolboschoenus maritimus


© Bas Kers

Ecologie & verspreiding
Heen s.str. is de 'echte Heen' in het 'Bolboschoenus maritimus complex', een groepje nauw verwante en sterk gelijkende soorten, waarvan verder Bolboschoenus laticarpus (Oeverbies) en Bolboschoenus planiculmis al in ons land zijn aangetroffen, en Bolboschoenus yagara wellicht op korte termijn te verwachten valt. In het verleden zijn reeds pogingen ondernomen om dat wat als Heen (vroeger: Zeebies) bekend stond op grond van bloeiwijze-morfologie op te splitsen in meerdere taxa. Die taxa (soorten, ondersoorten, variëteiten of forma's) bleken echter niet te handhaven. De huidige classificatie van soorten is hoofdzakelijk gebaseerd op morfologie van de nootjes. Nootjes zijn een soort vruchten die bij Cyperaceae (maar ook bij sommige Asteraceae) voorkomen. Het zijn zaden, die nauw omgeven zijn door (maar niet vergroeid zijn met) een houtige, niet open springende vruchtwand (pericarp). Dat pericarp bestaat uit 3 lagen; het exocarp, met luchtcellen die het nootje drijfvermogen geven, het mesocarp, en het endocarp, dat tegen het zaad aan ligt. Heen onderscheidt zich van de andere soorten door het grote lichtbruine nootje dat in dwarsdoorsnede lensvormig tot stomphoekig is. Het zeer dik exocarp, dat bestaat uit langwerpige luchtcellen, is dikker dan het mesocarp en geeft het nootje veel drijfvermogen. Het nootje van Heen lijkt op dat van Bolboschoenus planiculmis, maar bij laatstgenoemde soort is het nootje concaaf op doorsnede en is het exocarp op de hoekpunten minder dik. Bij Bolboschoenus laticarpus en Bolboschoenus yagara zijn de nootjes driehoekig en is het exocarp veel dunner. Wat verder opvalt is dat bovengenoemde 'nieuwe soorten' qua morfologie van de bloeiwijze en ecologie een betrekkelijk smalle bandbreedte hebben, terwijl in Heen s.str. qua morfologie nog steeds veel variatie zit. Heen komt in natte duinvalleien en in zilte overstromingsgraslanden als kleine plant voor met één, of soms twee eindelingse aartjes, de zogenaamde monostachyate vorm. Ze wordt dan wel eens verward met sommige zeggesoorten, of bijvoorbeeld Platte of Rode bies. Een vorm met meer dan 3 aartjes geplaatst in een dicht hoofdje, de compacte vorm, komt vrij veel voor. Dat geldt ook voor vormen met naast een centrale cluster met zittende aartjes, één of twee gesteelde aartjesclusters, waarbij de stelen korter zijn dan 2x de lengte van de aartjes. Zeldzamer (voornamelijk in de Biesbosch en enkele plaatsen in Noord-Holland) is een vorm met bloeiwijze met meerdere langgesteelde aartjesclusters, die lijkt op Oeverbies. Verder komen ook vormen voor met één of meer zeer grote aren per bloeiwijze, die werden vroeger de macrostachyate vorm genoemd. Al deze vormen, die vroeger ook op (onder)soortniveau werden onderscheiden, zijn overigens slechts standplaatsmodificaties. Heen s.str. is een pioniersoort van slibrijke, vaak enigszins basische grond en is sterk gebonden aan het maritieme district. De nootjes hebben met het dikke exocarp een groot drijfvermogen en zijn daarmee aangepast op verspreiding door zee. De planten zijn bovendien zeer zouttolerant. Heen kan dus groeien op plaatsen waar andere Bolboschoenus soorten dat niet kunnen, zoals kwelders en brakke poelen. Desalniettemin kan Heen zich ook prima handhaven langs verzoetende wateren, zoals de voormalige Zuiderzeekust en de (Westelijke) Biesbosch. Ook wordt zij hier en daar in het binnenland in zoete milieus gevonden, maar moet daar als adventief of 'dwaalgast' worden gezien. Zij staat dan in soortgelijke milieus als Oeverbies.
Familie: Cyperaceae
Groep: eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: voedselrijke oevers
© 2020  FLORON
Ga naar de volledige website