Hemelsleutel

Sedum telephium


© Han Beeuwkes

Ecologie & verspreiding
Hemelsleutel staat op zonnige tot halfbeschaduwde, ± voedselrijke, droge tot vochtige, niet of weinig bemeste, matig zure tot basische bodems bestaande uit zand, zavel, leem of lichte klei. De overblijvende en zeer variabele plant staat in de binnenduinen en in lichte bossen, bosranden, struwelen en heggen, in graslanden en akkers, langs slootkanten en spoorwegen. Verder op rivier- en kanaaldijken, op zandige, steenachtige plaatsen, puinhellingen en op stortplaatsen, op steenhopen en op muren. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het verspreidingsgebied. Ook wordt ze als sierplant gebruikt en slaat gemakkelijk op uit weggeworpen tuinafval. Ze is algemeen op de hoge zandgronden, in Zuid-Limburg en de Zeeuwse en Hollandse duinen, vrij zeldzaam in Zeeland en de laagveengebieden en zeer zeldzaam in Flevoland en het Waddengebied. Hemelsleutel is van Roze hemelsleutel en Bastaardhemelsleutel te onderscheiden door de bladstand en de ontwikkeling en lengte van de meeldraden. De soort was vroeger in gebruik als wondhelend en bloedstelpend middel.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - juni - september

Hoogte - 0,25-0,60 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels - Worteldelen kunnen uitgroeien tot nieuwe planten. Soms met uitlopers.

Stengels/takken - De stengels staan rechtop of zijn boogvormig opstijgend. Onder de bloeiwijze zijn ze niet vertakt. Stengeldelen kunnen gaan wortelen.

Bladeren - De lichtgroen tot blauwgroen bladen zijn kaal en worden 5-8 cm. Ze zijn eirond tot langwerpig. De bovenste staan verspreid, de andere tegenover elkaar of in kransen van drie. De bladvoet is hartvormig, afgerond of versmald en de bladrand is gekarteld.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). Dichtbloemige schermvormige tuilen met paarsrode, roze, groengele of witachtige, 0,8-1 cm grote bloemen.

Vruchten - Een doosvrucht. De zaden zijn zeer kortlevend (korter dan één  jaar). Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige tot halfbeschaduwde plaatsen op vrij droge tot vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, niet of weinig bemeste, matig zure tot kalkrijke (basische) grond (zand, leem, lichte klei en zavel).

Groeiplaats - Bermen, grasland (met name op perceelsranden en slootkanten), rivierdijken, kanaaldijken, langs spoorwegen (spoordijken), bossen (lichte bossen), struwelen, bosranden, heggen (kalkrijke zomen) en zeeduinen (binnenduinen).
Familie: Crassulaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Status: Niet bedreigd
Zeldzaamheid: algemene soort
Ecologische groep: kalkrijke zomen
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website