Penseelbladige waterranonkel

Ranunculus peltatus var. heterophyllus


Ecologie & verspreiding
Penseelbladige waterranonkel staat op zonnige plaatsen in ondiep tot vrij diep, stilstaand tot vrij snel stromend, zwak zuur tot neutraal, zacht, matig voedselarm tot voedselrijk, soms zelfs enigszins vervuild water boven een bodem van, soms licht organisch zand. De eenjarige of overblijvende plant groeit in beken en gekanaliseerde rivieren, in plassen en poelen, in meren en vijvers, in sloten en kanalen, in zandafgravingen, afgesneden rivierarmen en in vennen met binnendringende meststoffen. Soms groeit de plant ook op droogvallende plaatsen. Het areaal van het taxon omvat Europa, behalve in de meest noordelijke delen en komt ook voor in de kustgebieden van Noord-Afrika. Het taxon komt in Nederland her en der verspreid voor, de concentratie in Noord-Brabant is zeer waarschijnlijk te danken aan de hier actieve en bekwame floristen. Bij deze variëteit zijn de lager geplaatste, ondergedoken bladeren gelijk aan of groter dan de stengelleden en drijfbladeren zijn al of niet aanwezig. De vruchten zijn kaal of behaard.
Herkenning (bron: wilde-planten.nl / Klaas Dijkstra)

Bloeitijd - mei - augustus

Hoogte - 0,10-3,00 m.

Geslachtsverdeling - tweeslachtig

Wortels -

Stengels/takken -

Bladeren - Drijvende bladeren zijn vaak aanwezig, ondergedoken bladeren zijn altijd aanwezig. De drijvende bladeren zijn vrij donkergroen, rondachtig, ongeveer tot het midden ingesneden en 3 tot 5 spletig. De slippen zijn grof gekarteld, soms met 'overgangsbladeren' met lobben die in draadvormige slippen uitlopen of die bij de middelste lob ontbreken. Bij Penseelbladige waterranonkel zijn de lagere ondergedoken bladeren even lang of veel langer dan de stengelleden. De drijvende bladeren kunnen al of niet aanwezig zijn. Meestal hebben deze aan de top draadvormig versmalde slippen. De ondergedoken bladen vallen buiten het water penseelvormig samen.

Bloemen - Tweeslachtig (een bloem met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen). De kroonbladen zijn 1,2 tot 4,5 cm. De honinggroef op de plaat van de kroonbladen is meestal meer lang dan breed, soms zijn ze halvemaanvormig. Ze bedekken elkaar met de randen. De bloembodem is behaard.

Vruchten - Een eenzadige dopvrucht of nootje. De vruchtstelen zijn 5 tot 15 cm. De vruchtjes kunnen kaal of behaard zijn. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Bodem - Zonnige plaatsen in tamelijk snel stromend, vrij diep, helder, kalkarm, matig voedselrijk, weinig vervuild water.

Groeiplaats - Water (beken, kleine rivieren, kanalen, vijvers en soms ook in grotere wateren).
Familie: Ranunculaceae
Groep: tweezaadlobbigen (bloemplanten)
Zeldzaamheid: zeer zeldzame soort
© 2019  FLORON
Ga naar de volledige website